De roos van Ernstthal

Karl Mays vroege vertelling Die Rose von Ernstthal verscheen vermoedelijk voor het eerst in November 1874. In: Deutsche Novellen-Flora. Sammlung der neuesten, fesselndsten Romane und Novellen unserer beliebtesten Volksschriftsteller der Gegenwart. Neusalza, Verlag von Hermann Oeser. Ter datering: Op 18 Augustus 1874 werd de »Deutsche Novellen-Flora« in het register »Anzeige, die Zeitschriften betreffend« bij de gerechtelijke instantie in Neusalza ingeschreven. Het is zeker, dat het eerste nummer van de Novellen-Flora al gedrukt was en de autoriteiten ter inzage was voorgelegd. Men streefde er kennelijk naar de start van het boek in afleveringen (het werk omvatte 24 nummers, er waren vooralsnog jaarlijks 20 afleveringen gepland) in de eerste week van September te beginnen. Zodoende verscheen de eerste aflevering op zaterdag (deze dag van de week was toen algemeen gebruikelijk), 29 Augustus 1874. Elke aflevering verscheen in twee bladen van elk 8 pagina’s, dus in totaal slechts 16 pagina’s tekst van verscheidene schrijvers, waarvan de vertellingen door het voorgeschreven »wordt vervolgd« onderbroken waren. Deze manier van publicatie verlangde een regelmatig, wekelijks verschijnen, als men geen »Abonnentensprung» (verschuiving in de abonnementen, toenmalige vakuitdrukking voor het verliezen van abonnees) wilde riskeren. Als gevolg hiervan verscheen Die Rose von Ernstthal (aflevering 11-14) in November 1874 en niet, zoals Hainer Plaul vermoedt, in April en Mei 1875. Voor zijn datering was een verkoopadvertentie voor Meyers Konversationslexikon, 3e uitgave, in de 22e aflevering van de ›Novellenflora‹ doorslaggevend. Men moet echter rekening houden met het feit, dat naar behoefte gewoon advertenties uitgewisseld werden. Dat ging zonder technische problemen. Een precieze datering van de eerste druk van oude tijdschriften en verzamelde werken in verbinding met het »Börsenblatt für den Deutschen Buchhandel« wordt daarom buitengewoon bemoeilijkt. Ook verzuimden vele uitgeversmaatschappijen destijds door heel Duitsland de stipte bekendmaking van hun uitgaves in het »Börsenblatt« te publiceren. Bij wijze van voorbeeld: de »Frohen Stunden« (Verlag Bruno Radelli, Dresden) met diverse May-vertellingen verschenen een half jaar eerder dan bij Plaul aangegeven; de bewijzen zijn ondubbelzinnig door verslaggeving van tijdgenoten (opening van de Semperoper enz.) in het door May in 1877/78 redactioneel verzorgde ontspanningsblad.

Te constateren is, dat Karl May deze vertelling in 1880 stilistisch bewerkt in het huisblad »All-Deutschland!« opnieuw publiceerde.
Wij hebben hier de voorkeur gegeven aan de originele versie, omdat deze tekst de eerste nog voorhanden zijnde grotere publicatie van May hoegenaamd is. Vele van de voor het May-onderzoek zo belangrijke tijdschriften uit de jaren 1860 zijn vandaag de dag spoorloos verdwenen.

Ralf Harder
   
Vertaler: Peter Baanstra

 


 
De roos van
Ernstthal.

Een verhaal uit het midden van de vorige eeuw.
door Karl May.

 
Tussen de uitlopers van het Saksische Erzgebergte, daar, waar het beroemde Zwickauer en Würschnitzer kolenbekken zich tot in de buurt van Chemnitz uitstrekt, liggen aan de noordelijke rand daarvan de beide zusterstadjes Hohenstein en Ernstthal, die de vriendelijke lezers zeker bekend zullen zijn vanwege hun vlijt. In het bijzonder is het Ernstthal, waar de weverij zich al sinds lange tijd verheugde in een goede reputatie en voor zijn producten niet alleen in Duitsland en de aangrenzende landen, maak ook overzee een groot afzetgebied vond.

Maar de weefstoel kan zelfs de hand van de allervlijtigste arbeider geen rijkdom bieden, en dus vlijt zich het arme stadje klein en bescheiden tegen de kom van het dal, die de ogen van toeristen niet in de ban kan houden door landschappelijke schoonheid en nergens anders aanspraak op mag maken, dan alleen de vreedzame speelplaats van een bedrijvig en genoeg-zaam volkje te zijn.

Bij dit inspannende worstelen met de naakte zorgen van het leven, mag de nuchterheid hiervan meer op de voorgrond treden; toch waait ons niet, zoals men wel beweert heeft, de ademtocht van poezie alleen uit romans en dat soort gebeurtenissen tegemoet, die zich op de platte spiegel van het parket of op de door de natuur geprefereerde bodem ontwikkelen, maar juist in de pauzes van het grote gevecht, dat wij werk noemen, als de mens zich het zweet van zijn verhitte voorhoofd veegt en hamer en spade aan de kant legt, laat zich die gelukkig stemmende adem koeler en krachtiger ervaren, en de dichtende God komt zelfs in de meest armellijke hut.

De lezer kan dus gerust de straatjes van Ernstthal betreden of aan de hand van ons verhaal zijn voeten de richting naar een halfingestortte grot of een eenzame en primitieve boshut laten inslaan; ook al zijn er geen wereldschokkende gebeurtenissen te vertellen, dan zal de weldadige ondervinding daarvan hen doen voorkomen, alsof de ademtocht van de hemel de bloesemvlokken van de poezie ook in de verstafgelegen hoeken draagt, waar de geweldige vloed van de geschiedenis in de verte aan voorbij bruist.

___________

 
1.

De ontmoeting in het bos

Het was een gouden, zonnige morgen in juli. De vochtigheid van de nachtelijke dauw had allang de weg naar de lucht gevonden; de warmte van de dag golfde zichtbaar rond de bruine stengels van de nog niet-bloeiende Erica en een verkwikkende geur vloeide door de twijgen van het stille, geheimzinnige bos.

De vogels, vermoeid door het ochtenddeel van hun dagelijks concertprogramma, zaten peinzend onder het groene plafond, waar door de openingen het licht in toverachtige kleuren brak; de beek ruisde zacht zijn eeuwige, in slaap sussende wiegeliedje, en meester specht, de timmerman, zat uitrustend in het knoestgat en verteerde de larven, die hij zich als hartig hapje door listig kloppen uit de spleten van het boomschors naar buitengelokt had. Aan de overkant, tussen de wortels van een struik, strekten vier jonge, donzige roodborstjes de gele snaveltjes in de hoogte en hielden met de bedrijvige mama een levendige discussie over zaken als eten en het huishuiden, de papa zat echter op de hoogste tak en gaf zijn vaderlijk geluk lucht door de tederste aforismen.

Met deze gevoelige »paarlen des gezangs« harmonieerden evenwel de twijfelachtige tonen, die aan deze kant van de beek uit de diepte die onder de naam van »Eisenhöhle« in de omgeving van Ernstthal bekend is, omhoog klonken, niet.

»Ah ... ah! Dat noem ik slapen; het moet al weer nacht zijn. Ah ... ah! Maar nee; daar valt het daglicht op het mostapijt van mijn boudoir; het is dus klaarlichte dag. Maar hoe kom ik dan eiegenlijk in dit gastvrije lustprieel? Ah ... ah! Ach ja, nu herinner ik het me: zwaar onweer gisteren; ben verdwaalt; liep in de stikdonkere nacht en stromende regen in het bos rond en vond eindelijk dit onderkomen, waar ik onmiddellijk intrek in genomen heb en heb geslapen tot anno nu.«

Hij stond op van de harde, steenachtige bodem, pakte zijn ransel, dat hem als hoofdkussen had gedient en trad voor de ingang van de grot.

»Goede morgen, jij fijn, mooi, groen bos! Je schudt weliswaar je altijd jonge, honderdkoppige hoofd afkeurend over de luie, slaapdronken kameraad, die ik vandaag ben, maar je geeft me toch de gelegenheid te wassen en een ochtenddrank op de oude getrouwe, zorgzame manier. Heb dank voor deze attendheid, jij oude, trouwe bijzondere jij!«

Hij pakte handdoek en zeep uit een zijvak van zijn ransel en liep naar het water, om zich te wassen. Bij deze gelegenheid kunnen we de jonge man wat nader bekijken.

De kleding van een gewone handwerksgezel, die hij droeg, had door de onweersbuien, de zwerftocht door het bos en de slaapplaats op de stenen aanzienlijk geleden. Daardoor leek hij een metaalbewerker, misschien slotenmaker of smid te zijn; maar de kleine, slanke, witte hand, waarmee hij de beschadigde kleding in orde probeerde te brengen, kon zich onmogelijk veel met hamer en tang hebben bezig gehouden.

In zijn houding lag iets strams als van een militair en uit al zijn bewegingen sprak een ronding van zijn lichaam, een behendigheid, die men alleen gewend is bij mensen te zoeken, die tot de zogenaamde betere standen behoren. Zijn hoofd was eigenlijk niet mooi te noemen; maar het hoge, brede voorhoofd, rijk aan gedachten, werd begrenst door ongewoon gebogen wenkbrouwen, intelligente ogen van een onbestemde kleur, die meestal op een ongewoon intelligente gave laat concluderen, de smalle en licht gebogen neus, die iets sarcastische trek om de mond met gaaf gebit en door een zorgvuldig verzorgt snorretje omrandde mond, die energie en felheid van zijn hele mimiek moesten een indruk wekken, die de mensenkenners met het predikaat »belangrijk« omschreven zouden hebben.

Nadat hij klaar was met het maken van zijn toilet wierp hij zijn ransel op de rug, zette zijn muts in een brutale houding op zijn tegen de mode van die tijd kortgeknipte haren, bekeek zichzelf met een laatste, tevreden blik en draaide zich om om te gaan.

»Zo, dat ziet er goed uit. Iets liederlijks hoort bij het zwarte handwerk: de laarzen hebben gaten; de broek heeft een scheur; het hemd kleurt tussen wit en zwart in, en de elleboog kijkt de wereld in. Maar voor de rest is de kerel heel, en ik heb als halfwas jongen vaak genoeg voor mijn plezier op het aambeeld van onze kasteelsmid geslagen, om mezelf genoeg vaardigheid te durven toevertrouwen, ook nu, wanneer het met de hamerij in elk geval voor korte tijd menens is. Want de gezochte houdt zich in ieder geval in of om Ernstthal op, en een eenvoudige smidsgezel zal geen verdenking bij hem oproepen, vooral omdat hij me niet persoonlijk kent. En ik moet hem om elke prijs hebben. Voorwaarts dus!«

Hij was nog niet lang stroomafwaarts langs de beek gelopen, toen hij opzij een halfluide stem hoorde spreken. Met de bedoeling, naar de weg te vragen, sloeg hij deze richting in en liep om een door hazelnootstruiken gevormde hoek. Hij was nog maar nauwelijks de bocht om, of fij bleef verrast staan.

Voor hem opende zich een kleine, door geurig reukgras en bosbloemen bedekte open plek. In het midden daarvan stond een mandje, gevuld met aardbeien, en daarnaast knielde een vrouwelijke gestalte, die, op het eerste gezicht, luid en vurig aan het bidden was.

Bijna had de discretie hem achteruit doen stappen; maar de biddende was zo’n lieftalligheid en schoonheid, dat hij als aan de grond genagelt bleef staan en zijn lichaam ver naar voren boog, om geen van haar woorden te missen.

Het was een meisje. Lang, zwart, krullend haar hing losgebonden over de naakte nek naar beneden en omlijstte een zuiver, wit voorhoofd van zo’n ideale ronding, zoals men ze bijna alleen maar gewend is te zien bij de figuren van onze schilderijenverzamelingen, die de overwinning van het idee over de alledaagsheid van de lichamelijke vormverhoudingen naar voren lieten komen. Het kleine, elegante neusje met roze vleugels gaf het klassieke en toch zo gevoelig profiel de edelste bekroning. De lieftalligheid van de mond, waar bij de langzame bewegingen de twee licht opgetrokken lippen elkaar kustten en de aanblik van de kleine paarlen, ivoorachtige tanden, moesten elk van haar woorden betekenis geven, vooral omdat de stem in die klankvolle diepte moduleerde, die men meestal ziet bij wezens die rijk gezegend zijn met gevoel en gemoedsbeweging. De onberispelijk gevormde kin sloot aan bij het mooie ovale gezichtje, waarvan de trekken zo lieftallig, zo ontroerend waren, dat men zich bij haar aanblik onweerstaanbaar gecharmeerd moest voelen, en op de bevallige wangen lag die blos van opwinding, die steeds de waarheid van het innerlijk gevoel bevestigd en hier de zeldzame witheid van de teint zo voordelig deed uitkomen.

Het mooist waren echter de ogen, ogen van zo’n zuiver, helder en toch ook diep blauw, dat hun weerspiegeling in scherp contrast stond met haar donker haar en door deze tegenstelling werd de indruk van het gezicht vergroot tot de hoogst bereikbare graad. Maar hoewel de lange, zijden wimpers zich opgeheven hadden door de omhooggerichtte blik, lag er toch over deze wonderbaarlijke sterren een sluier, die zijn schaduw ook over haar trekken wierp en haar een lijdende, ja ik zou bijna willen zeggen tragische zweem gaf; het was de blinde ogen niet toegestaan het vriendelijke, warme zonnenlicht te zien. En dat was het, wat haar hier in de eenzaamheid van het bos op de knieën had doen zinken en haar lippen tot het gebed geopend hadden. Haar gevouwen handen lagen zwaar op de borst, en deze borst ging op en neer onder de aandrang van de gevoelens, die uit het zichtbaar door angst bewogen hart hun weg ten hemel toe oprezen.

De onbevoegde luisteraar ontging geen van haar woorden. Hij waagde het amper te ademen, en pas toen ze met een luide snik geëindigt was en onder stromende tranen het vermoeide hoofdje had laten zinken, bevrijdde zijn borst zich onder een diepe zucht van de benauwdheid, en zijn hand veegde afdrogend over de van medelijden vochtig geworden ogen.

»Mijn God, wie is deze engel? Zijn de sprookjes over oceanen en hun bovennatuurlijke wezens, die soms aan een sterfelijk mens verschijnen, waar, om hem door een voor het mensenhart onbegrijpelijk geluk van het aardse leven te vervreemden? Of heeft de natuur dit meesterstuk afgemaakt, om ons te overtuigen van de armzaligheid van onze geschilderde of aardenwerken kunstwerken? En wie zo als deze heilige kan bidden, die heeft de zonde nog niet leren kennen en is het waard, aan een sterk, trots en trouw mannenhart gelegd te worden en daar te worden gehouden en gedragen te worden tot de laatste hartslag.«

Toen ritselde het in de struiken, en dicht naast hem drongen, zonder hem op te merken, twee mannen voorzichtig door de bosjes. De ene droeg de kleding van een gewone jachtopziener; de andere behoorde in elk geval tot een betere stand en leek de aandacht van de landloper in bijzondere mate te boeien, want deze had bij zijn verschijnen in hoogste verrassing een stap achteruit gedaan en staarde hem vanuit zijn schuilplaats aan met een scherp, doorborend oog.

Hij droeg een strakzittende, witleren broek, die in hoge, blankgepoetste laarsen staken; de blauw fluwelen jas met rood lakense panden- en mouwomslagen was met thalergrote zilveren knopen versierd; op de hoog opgestapelde krullenpruik balanceerde een klein, met gouden boorden afgezet hoedje; aan zijn linker zijde hing naar de mode van die tijd de smalle stootdegen, en zijn rechterhand hield een lange, sterke, met een ivoren knop gekroonde zeerietstengel vast.

Het was een hoge, brede, gespierde goliathgestalte, die men meteen op het eerste gezicht een buitengewone lichaamskracht moest toekennen; toch was de uitdrukking van de groffe gezichtstrekken geen vertrouwenwekkende, vooral omdat de kleine, diepliggende ogen alleen met heimelijke blikken van onder de vlezige, sterk gerimpelde oogleden tevoorschijn kwamen.

»Bij de heilige Hubertus, die de beschermheilige van alle wild- en meisjesjagers is«, sprak hij met zachte stem, die als een onderdrukt gebrom tussen de brede, opgezwollen lippen te voorschijn kwam, »daar is ze eindelijk weer eens, de roos van Ernstthal, zoals ze hier door iedereen genoemd wordt. En de koekoek mag me halen, als deze naam niet passend is, hoewel de doornen lijken te ontbreken; want het kleine schepsel heeft me nog nooit, zo vaak als ik haar ook achterna geslopen ben, gestoken, maar is steeds me steeds weer ontsnapt. Vandaag echter heb ik haar onder schot en ik zal ditmaal niet laten ontsnappen, zo waarlijk men mij de 'blauwwitte' noemt.«

Met een ruwe lach stootte hij deze woorden eruit en maakte zich klaar om de laatste bosjes van het struikgewas te doorbreken. Toen pakte zijn begeleider hem smekend bij de arm vast.

»Doe het niet, jonker; dat is niets voor u, geen edel wild, maar slechts het enig kind van een arme weduwe en daarbij nog bijna blind. Het meisje gaat naar het bos, om door het groen ervan haar ogen te sterken en verlichting voor haar nood te vinden. Stapel toch niet nog meer ongeluk op de arme, brave mensen!«

»Papperlappapp! Alsof het een ongeluk is, dat een heer een meisje, die niets anders dan haar knappe toetje bezit, met zijn toenijging eer aandoed! En om alleen vanwege medelijden een jacht te moeten opgeven, die zoveel genoegen beloofd bij zo weinig gevaar, dat zou toch waarachtig de afgrijselijkste stommiteit zijn.«

»Helemaal ongevaarlijk wil ik het genoegen toch niet noemen. Het arme kind komt weliswaar nooit op feestjes of dansavonden, maar is toch de lieveling van de hele Ernstthaler studentenvereniging, en ik zou het niet wagen, haar iets aan te doen.«

»Pah, wat gaat mij jullie studentenvereniging aan! – Heb al meer dan eens van hen een duifje afgevangen, zonder te betalen, en menig grappige knaap, zonder dat hij geklaagt heeft, een pak slaag gegeven. Dat die lui genoeg van me hebben, dat weet ik, maar ik wil er toch wel eens een tegenkomen, die het waagt, mij zijn tanden te laten zien, als ik weer van eens een oude houtdievegge de mand stuktrap of een jonge stoute hartedief in de wangen knijp. Men heeft als edelman zo zijn passies, en als het daarbij tot een vechtpartij komt, dan neemt men haar op de koop toe. En vandaag, nu het zich om de knapste van jullie knapsten handeld, zou ik een storing niet dulden, zelfs wanneer iedereen uit jullie spoelwormennest tegen me op zou staan! Hoe heet ze dan eigenlijk, en waar woont ze?«

»Weet ik niet«, was het korte, afwijzende antwoord.

»Zeg! Denk je werkelijk op deze toon met me klaar te kunnen worden? Wees tegen de gast van je heer iets gemanierder en meet mijn handelwijze niet af aan je plebejische opvattingen. Je hebt opdracht gehad mij te dienen en moet je dus naar mijn intenties richten!«

»Ik heb bij mijn instructies niet te horen gekregen dat ik in mijn omgamg met u een bepaalde toon moest aanslaan, en door u als gids bij uw wandelingen door ons district heb ik niet de verplichting op me genomen, u te helpen bij uw hartstochten. In alle opzichten lijken onze plebejische opvattingen nobeler en fatsoenlijker te zijn dan uw voorname passies. Adieu!«

»Karl!« - -

Hij hief dreigend de stok op, maar de oude boswachter was al achter de bosjes verdwenen, en vloekend en scheldend wendde hij zich nu tot het meisje. In de rechterhand statig de zeerietstengel, de linkerhand op de schakels van de zware, afhangende horlogeketting, betrad hij met zelfingenomen, zeker van de overwinning zijnde gelaatsuitdrukking de open plek.

»Wat wentelt het juffertje zich toch hier in het gras rond, alsof ze dit weliswaar mooie en geheime plekje van het hoge bosbeheer voor privégebruik gepacht heeft?«

Ze was gelijk bij de eerste woorden geschrokken opgesprongen en probeerde haar hand aan hem te onttrekken, die hij meteen gepakt had.

»Ah, bessen gezocht, mijn schatje? Nou, dat is eigenlijk niet toegestaan, want alles, wat in het bos groeit, is eigendom van de landsheer, en juist onder het voorwendsel van bessenzoeken wordt het meeste kattenkwaad en de meeste wandaden bedreven; maar tegenover zo’n knap kind kan ik echt galant en welwillend zijn. Alleen hoop ik, dat je dat naar waarde weet te schatten.«

Hij probeerde zijn stem een gevoelige klank te geven; maar het resultaat van deze inspanning was met recht ongelukkig te noemen. Trillend en met neergeslagen ogen stond ze voor hem; het schaamrood bedekte haar gezicht van het voorhoofd tot de nek en de bevend elippen konden van angst geen geluid voortbrengen. Ze voelde de begeerte, waarmee zijn hartstochtelijke blik haar verslond, en wist zich toch te zwak om weerstand te kunnen bieden aan deze reusachtig sterke man.

»Kom dus, mijn duifje, en wees maar niet bang. Vandaag mag je me niet ontsnappen, zoals je tot dusver steeds hebt gedaan!«

Hij trok de tegenstribbelende tegen zich aan en probeerde haar mond te vinden. Ze verzette zich met alle kracht tegen de omarming van de gehaatte en wierp, van schrik nog steeds sprakeloos, de versluierde ogen naar hulp zoekend in het rond.

Toen klonk er een scherpe, snerpende fluittoon. Verrast liet de opdringerige zijn mooie buit los en draaide zich om.

Daar bij de hazelnotenstruik stond, zijn handen lichtjes op de greep van de toendertijd bij trekkende leerlingen en reizende handwekers gebruikelijke wandelstok, de handwerksgezel en volgde met zichtbare voldoening de bewegingen van het meisje, die het mandje opgepakt had en met gevleugelde voeten wegrende.

»Donders, wat een onbeschaamd, onbeschoft sujet. Dit mens moet men eens mores leren!«

Met achterover geworpen hoofd, wijd gespreidde benen en imponerend streng gezicht liep hij op de genoemde toe, ging wijdbeens voor hem staan en mat de kleine, tengere gestalte van hem met een blik van onverholen verachting.

»Wie is men dan, hé, dat men het waagt, te fluiten naar een ambtenaar van het bosbeheer in zijn eigen domein alsof hij een windhond is!«

De stille, mannelijke ernst op het gezicht van de aangesprokene maakte plaats voor een glimlach van vermaak; maar hij verwaardigde zich niet de vrager een antwoord te geven.

»Naar het schijnt, kan de kerel beter fluiten dan praten; misschien maakt dit instrument zijn tong los. Dus, wie ben je, waar kom je vandaan en wat heb je hier te zoeken?«

Ein gering, verachtelijk trillen van het snorretje was het enige antwoord. Toen hief de »blauwwitte« de rotting hoger.

»Nou, komt er nog wat van? Men mag toch wel een armzalige vechtersbaas naar het waarheen en waarom vragen, als hij rondzwerft, waar zich heg noch steg bevindt! Antwoord dus, ik maak geen grapje!«

Weer volgde er geen antwoord, maar een klein, ongeduldig rimpeltjeFältchen in de ooghoek liet vermoeden, dat ongeïnteresseerdheid niet de oorzaak van dit zwijgwn was.

»Niet dus? Pas op, ik tel tot drie, en dan zal alles je duidelijk worden. Wie ben je? Een! – twee! -«

Nu eindelijk richtte de bedreigde zijn blik geheel en al op de jager, en terwijl deze blik de tegenstander langzaam van hoed tot laarspunt opnam, werd die steeds scherper en stekender. Zijn ogen werden steeds groter, doorliepen, steeds donkerder wordend, alle kleurschakeringen tussen het lichtste grijs tot het diepste bruin, en bleven zo strak, vlammend en doorborend gericht op het door toorn roodgeworden gezicht van de man in de blauwe jas, dat deze het geweld van de blik, die zeker was van de overwinning, niet kon weerstaan en arm en stok liet zakken, zonder de »drie« uitgesproken te hebben.

»Ah ...!« - -

Het was het eerste geluid, dat de vreemde rondtrekkende handwerksgezel liet horen, en terwijl dit woord alle toonaarden doorliep van de diepste bas tot en met de hoogste toon en dan met snelle, energieke stembuigingen terugvibreerde, lag daarin een wereld van verachting, spot en geringschatting. Zijn gestalte leek te groeien; de schouders werden breder; de borst ging op en neer; het hoofd, waarvan de uitdrukking op dit ogenblik van gemoedsbeweging de ideale belichaming van mannelijke trots en zelfbewustzijn vertegenwoordigde, werd in de nek geworpen; de linkerhand werd gebiedend wegwijzend uitgestrekt; de rechterhand zwaaide de knoestige stok met behendigheid rond zijn hoofd, en, zijn tegenstander met zijn eigen taktiek verslaand, klonk het kort en beslist:

»Omkeren! - - Mars! - - Een! - - Twee! -«

Oog in oog stonden de mannen enige ogenblikken lang tegenover elkaar, en bijna leek het onbeslist te blijven, wie van beiden de eerste stap naar achteren zou doen. Zoals echter altijd de geest het lichaam overheerst en omdat geen enkele fysiek zo overdadig begiftigde opschepper de echte moed op den duur auf kan weerstaan, zo overwon ook hier het geestelijke overwicht van de een de lichamelijke kracht van de ander.

Door de nooitvermoedde macht van een oplichtend mensenoog en elke tegenspraak uitsluitende houding van de handwerksgezel helemaal in de war en verbluft, stapte de jonker eerst langzaam en aarzelend achteruit, maakte toen bij onheilspellende »twee« rechtsomkeerd en verdween toen onder het uiten van grimmige dreigingen eerst aarzelend en daarna met snelle schreden tussen de struiken.

Tot daar was hem de dreigende blik van de overwinnaar gevolgt, en toen zich de twijgen achter de gepoetste laarzen, de blauwe lakense jas en de golvende pruik sloten, klonk er korte, heldere lach van tussen de lippen, die hiervoor zo hardnekkig gezwegen hadden en toen met vier lettergrepen de enakszoon op de vlucht hadden doen slaan.

»Dat was hem, eens officier en nu een lomperik in herenkleding; ik zal hem pakken en zijn koning zal recht spreken over hem!«

Toen liep hij op de plek toe, waar de biddende geknield had, bukte zich en plukte een klein, witbloeiend bloempje uit het gras. Lang en nadenkend bekeek hij het tere, nietige plantje; zachter en zachter werden zijn gelaatstrekken, die hiervoor zo ernstig en streng waren geweest; milder en milder keek hij uit zijn ogen, en warm en innig klonk de eerst zo gebiedend klinkende stem.

»Ogentroost! Zou dat een teken van de hemel zijn voor mij en voor haar, die zozeer de troost voor haar zieke ogen nodig heeft? Is het mogelijk, dat ik hier in het wilde bos datgene vind, wat ik als vervulling van mijn beste en hoogste aardse wens in het licht van kroonluchters vergeefs gezocht heb, een hart, waartegen ik mijn vermoeid hoofd vol vertrouwen neer mag vlijen op de avond van elke dag en ook op de avond van het leven? Ik voel, dat dit uur over mij beslist heeft en zal haar stem volgen zo snel en vaak mogelijk als de moeilijkheid van mijn opdracht me toestaat. Maar wie is ze?«

»Als u het meisje bedoeld, dat hier net gezeten heeft, dan kan ik het u wel vertellen, omdat ik zie, dat u een flinke kerel bent, die men het vertellen kan«, klonk daar een weliswaar ruwe, maar niet onaangename stem naast hem.

Het was de jachtopziener, die niet weggegaan was, maar het verloop van het vertelde van afstand had gadegeslagen.

»Wie ben je?« vroeg de jonge man kort.

»Ik heet Jägerfranz en ben hier jachtopziener.«

»Wie is de man, met wie je hier voorheen was?«

»Die ken ik niet. We noemen hem de 'jonker' of ook wel de 'blauwwitte', vanwege zijn kleding. Hij is door het hof bij de omliggende boswachters aanbevolen en gedraagt zich, alsof hij in bossen op zijn eigen grondgebied is. Hij is dan hier, dan daar, het meeste echter in Ernstthal, waar hij naar knappe meisjes loert. Het liefst speelt hij voor de heer van het bos, mishandeld hij de lagere ambtenaren en trapt hij bij de arme vrouwen, die hout sprokkelen, hun manden in stukken. Daarom mag niemand hem, vooral omdat men hem verdenkt voor de ronselaars te werken, die de jonge mannen vangen om tegen de Pruisen te laten vechten.«

»En jullie laten je geduldig door hem zeggen, wat je moet doen?«

»Wat kan men tegen zo’n mens doen, die onder hoge bescherming staat en wiens lichaamskracht het hem mogelijk maakt, een dozijn gewone mensen tot last te zijn? Hij hangt overal rond, ondanks dat hij een edelman lijkt te zijn en waar een stelletje staat of een viool bespeeld wordt, daar is hij te vinden en die met zijn stok ingrijpt, als het hem niet naar zijn zin gaat.«

»Goed, en wie is het meisje van daarnet?«

»Ze is de dochter van een naaister en woont in Ernstthal bij de meestersmid Weißpflog in de Obergasse.«

»Dat is genoeg. Hier heb je een kleine beloning voor je mededeling. Ernstthal ligt achter die heuvel, niet waar?«

»Ja, u gaat nog een stuk rechtuit door het struikgewas en dan gaat de straat rechts naar de stad.«

»Adieu!«

»Adieu; bedankt voor het geschenk!«

De jachtopziener bleef staan en bekeek verbaasd het geldstuk, dat hij had gehad.

»Verdraait nog aan toe, dat is goud, mooi, blank, geel goud, zoals ik het van mijn leven nog niet in mijn geldbuidel heb gehad! Wie is dan eigenlijk deze man, die ondanks zijn gescheurde laarzen voor me stond als een graaf, die men moet antwoorden, als hij vragen stelt? Daar moet ik voorzichtig mee zijn, want vandaag de dag, waar men in alle hoeken en gaten op leven en dood met elkaar vecht, gebeuren er dingen, die in rustiger tijden geen schering en inslag zijn. Maar wie hij ook is, het is een kranige vent, en het bevalt me, waarachtig het bevalt me zeer, hoe hij de 'blauwwitte', waar geen tien van ons zich aan wagen, zo kostelijk afgepoeierd heeft!«

_________
 

2.

Bij de smid

Het waren kwade tijden voor Saksen. Minister von Brühl, de leider van de toenmalige Saksische politiek, had keurvorst August III er toe kunnen overhalen, ondanks de vrede van Breslau, met zijn vroegere vijandin Maria Theresia een verbond tegen de Pruisische koning Friedrich II aan te gaan, waarin hij beloofd had, de wapens niet eerder neer te leggen, totdat de koning Silezië had teruggegeven en zich tot het »brandeburgse blik met zand« beperkt had. Maar net als vroeger, had men zich ook nu in de jonge, ondernemingslustige heerser vergist, die bij het bericht van deze alliantie met zijn slagvaardige leger onmiddelijk in Oostenrijk binnengevallen was en de bondgenoten in het nauw dreef. De overwinningen bij Hohenfriedberg en Sorr dunden vooral de gelederen van de Saksen op de meest vreselijke wijze uit, want de Pruisen waren verbitterd over de ontrouw van hun voormalige bondgenoten en wierpen alles meedogenloos neer, wat ze in de weg kwam.

De daardoor ontstane gaten moesten natuurlijk opgevuld worden en zo vormden zich naar de wijze van die tijd door het land verstrooide recruteringsbureaus, die niet alleen de vrijwillige intrede in het leger bemiddelden, maar regelmatig ook dwang uitoefenden, zodat de jonge, geschikte mannen uit de danszalen, ja zelfs bij nacht en ontij uit hun bedden gehaald werden. Geweld was tegen de soldaten, die het keurvorstelijk uniform droegen, niet aan te wenden, en dus was er voor hen geen andere redding dan de vlucht. Maar ook dit was moeilijk, want deze mensenjachten werden steeds onverwachts en vaak in de stilte van de nacht uitgevoerd, en een wijd uitgesponnen spionagesysteem trok zijn netten over het gehele land, zodat de bedreigde zeker niet door de andere mazen van het net glipte, als hij hiervoor door de ene ontkomen was.

Vandaag hadden de »ronselaars«, zoals de wervers in de volksmond genoemd werden, enige eskadrons Saksische ruiterij, die in Hohenstein en Ernstthal lagen, nieuwe manschappen toegevoerd, en de officieren zaten na de gedane inspectie in de herberg. Ook de »blauwwitte« was bij hen, maar in deze kring leek de opmerkzaamheid voor zijn persoon een twijfelachtige te zijn, en toen hij in de loop van het gesprek begon mee te praten, vlogen de blikken van de anderen dubbelzinnig over hem heen. Hij had juist weer een van zijn tirades beëindigt en wierp zijn zware gestalte in de krakende stoel terug met een gezicht, waaruit zich duidelijk de verwachting van een bewonderende goedkeuring sprak.

»Ja, dat is waar«, nam na een langere pauze de majoor het woord. »Ik kan niet begrijpen, hoe het u toch steeds lukt, ons steeds weer in grote aantallen de eerzuchtige moederskindjes aan te leveren. Je hebt er in elk geval een heel grondige kennis van de verhoudingen van het gepeupel voor nodig, bij wie ongetwijfeld een sterke hand en een pittige soldatenvloek wonderen doet. Vanuit dit gezichtspunt doet het Saksische kabinet er verstandig aan, uw zo vaak door de koning verlangde uitlevering te weigeren, en zelfs wanneer uw huidige werkzaamheden minder succesvol zouden zijn, dan stuurt men toch niet graag een man de grens over, die zich door de verkoop van onvrijwillig meegegane kaarten en documenten zo geweldig verdienstelijk gemaakt heeft. Men is in Saksen nu eenmaal begripsvol en dankbaar genoeg, om te denken, dat ieder mens, zelfs een voormalige Pruisische infanteriekapitein niet uitgezonderd, aan zijn hals zijn gevoeligste plek heeft.«

»Majoor!«

»Al goed, we kennen elkaar en we zijn allebei zeker goed bruikbare mensen, ieder op zijn eigen manier, en ik vind het echt jammer, dat onze opvattingen over het uiteindelijke verloop van de huidige gebeurtenissen zo verschillend zijn. U schijnt aan te nemen, dat de koninklijke fluitspeler met zijn oorlogszuchtige en diplomatische ontwikkelingen snel klaar zal zijn en u zult dat in uw omstandigheden ook echt wenselijk vinden, toch wordt deze opvatting niet alleen door mij als ongegrond afgewezen. Is het niet, Krieben?«

»Heel juist«, antwoordde de aangesproken ritmeester. »De Saksische politiek heeft weer eens een onvergeeflijke faux pas (misstap) begaan. Saksen is, zijn natuurkundige betrekkingen tot de buurlanden niet mee gerekend, door ontelbare verbanden van de verschillendste soorten afhankelijk van Pruisen, terwijl de genegenheid tussen de keizerstaat en ons me geen diepgaande lijkt te zijn. Zolang de saksische januskop zijn vredesgezicht naar het zuiden wendt en naar de noordelijke buurman vijandige grimassen trekt, zal het aan zowel militaire als civiele oorvijgen niet ontbreken, en de oorlogszuchtige bravour van de Brandenburgse expansionistische kracht zal uiteindelijk allemaal moeten worden betaald met keurvorstelijk geld.«

»Halte l'a,« antwoordde ijverig de jonker, »ik denk dat het gedrag van Friedrich niets anders en niets beters is dan een net zo duidelijke als strafbare opstand tegen de waardigheid van de heerser van het Duitse Rijk, en ik hoop, dat jij als mijn familielid met je woorden geen berisping wil uitspreken tegen datgene, wat ik gedaan heb, omdat het zowel met het oog op mijn persoonlijk welzijn als ook mijn mening over de de dingen al vereisde.«

»Zeker niet. Ik sprak er over algemene verstandhoudingen zonder individuele opvattingen te willen betuttelen, en ik zal met je beroep op onze familiaire saamhorigheid rekening houden. Maar je geeft toch toe, dat we behoorlijk in het nauw gedrukt zijn. Met welke nadruk sprak men niet van de onovertreffelijkheid van de Hongaarse ruiterij, en hoe is deze troep niet door de stramme cavalleristen van Friedrich onder de voet gelopen en overal in de pan gehakt, waar deze zich maar vertoonde! Mijn hoofd zal nog jarenlang brommen van de klappen van die verdomde huzarenritmeester, die we bijna twee uur opjaagden, om op het laatst alleen maar zijn paard te pakken te krijgen, terwijl de kerel zelf met zijn telegrammen ontsnapte.«

»Je paard in de steek laten is toch waarachtig geen eer voor een officier, die daarbij nog huzarenritmeester is«, klonk de stem van een jonge cornet.

»Om dat te kunnen begrijpen, mist hij nog de ervaring. Hij is niet in een openlijke veldslag bij zijn knol weggelopen, maar door de koning met geheime papieren naar de markgraaf von Schwedt gestuurd. Het was kort voor de fameuse rit van het regiment von Ziethen door onze gehele opstelling, ook een Pruisisch huzarenstuk, dat ons het schaamrood op de kaken moest brengen. We hadden lucht van de zaak gekregen en wachtten het mannetje op, maar helaas! De sabel tussen de tanden en de pistolen in de vuisten, stormde hij door de dichtste menigte heen, reed, schoot en sloeg neer, wat hem in de weg stond, en was ons al enige honderden paardenlengten voor, voordat we er zelfs aan dachten, hem na te rijden. Nu begon er echter een wedren, zoals ik niet voor mogelijk had gehouden. In volle ren laadde hij weer, niet vanwege ons, want om ons bekommerde zich deze schurk op onhoffelijke wijze allang niet meer, maar voor die domme kerels, in wie het opkwam, hem in de weg te gaan staan. Zo ging het dwars door een half dozijn dorpen, die dom genoeg daar allemaal zo vrij en open liggen, dat men aan de achterkant alleen maar naar binnen hoeft te kijken, om op hetzelfde ogenblik aan de voorkant er weer uit te zijn; over velden en weiden, door dik en dun; geen bagagewa-gen, geen kruitwagen hield hem tegen, hij sprong er overheen. De kerel was waarachtig zijn duizend dukaten waard, en de moor, die hij bereed, het drievoudige. Toen slingerde eindelijk een marskolonne dwars op zijn richting en hij moest daarom in een scherpe bocht afbuigen, wij sneden de weg echter diagonaal af en kwamen hem op deze manier op de hielen. Tot zijn ongeluk kwam hij in moerassig terrein terecht en het paard blijft, de modder tot aan het zadel, steken. We juichden al en dachten hem te hebben, maar de spitsboef moest echter door zijn moerassig vaderland met dat soort elastische bodem vertrouwd zijn. Hij sprong van zijn paard en met enige sprongen, die ik geen mensenkind had toevertrouwd, stond hij op vaste bodem. Ik reed aan kop van de achtervolgers en drong, de sabel in de hand, de bosjes in, die hem hadden opgenomen. Toen pakte iemand mij plotseling, bij de keel en tegelijkertijd hoor ik een stem dicht bij mijn oor.

'Ma foi, kameraad, u moet uw vos enige tijd aan mij afgeven; vier benen presteren het dubbele van twee benen, en mijn moor zit vast in de karnemelk!'»

»Dit slimme mens is namelijk helemaal niet het struikgewas binnengedrongen, maar hij heeft zich meteen achter de voorste hoek opgesteld en had toen met de bekende artilleristensprong achter mij plaats genomen. Ik wil me juist omdraaien, om de vermetele gast een loden antwoord te geven, toen mijn paard over een uitstekende wortel struikelde en wij ruiters ma-ken beide arm in arm een buiteling tegen de grond. Op hetzelfde moment sta ik op; maar net zo snel staat hij ook voor me. Degen en pistolen zijn we kwijt, en we raken in een handge-meen met elkaar. – Over verder details kan ik niet spreken, ik weet alleen nog, dat ik op de grond lag en me met een hand probeerde op te richten, terwijl ik hem met de andere bij zijn lange, prachtige volle baard vasthield. Het lukte me weliswaar niet me op te richten, want de man drukte me met ware olifantskracht neer en beroofde me door enige vuistslagen, die als bijlslagen op mijn arme schedeldak neerkwamen, van het bewustzijn.«

»En dat zeg jij?«

»Waarom niet? Door zo’n tegenstander te worden overwonnen, is geen schande, en als ik hem vandaag op neutrale bodem zou tegenkomen, dan zou ik hem in dankbare waardering de hand drukken. Met zijn reuzenkracht zou het voor hem in elk geval gemakkelijk zijn geweest, mij naar het hiernamaals te sturen, en ik heb zijn laatste woorden goed onthouden:

'Adieu, kameraad! Ik wens je dood niet, je moet alleen een beetje slapen, meer niet. Mijn hengst laat ik voor jou achter; verzorg hem goed, over enige tijd kom ik hem weer tegen je goudvos weer omruilen!'»

»En toen?«

»Wat toen! Toen ik weer bij kwam, stonden de anderen weer bij me en de vluchteling was verdwenen. Hij had zelfs nog de tijd gehad zijn en mijn wapens bij elkaar te pakken, en de goudvos is me tot nu ontrouw gebleven. Dat de duivel hem hale!«

»Wat voor een figuur had de man?«

»Hij leek helemaal niet op een reus. Bijzonderheden heb ik uiteraard bij de grote snelheid, waarmee alles gebeurde, niet kunnen zien, und ik weet alleen, dat hij korter was dan ik en een baard droeg. Ik denk niet dat ik hem weer zou herkennen; maar aan het wapen te zien, dat ik op het zadelkleed van zijn achtergelaten paard bemerkte, moet het er een uit de familie von Göbern zijn.«

»Ach, natuurlijk, die vertrouw ik dat toe!« riep de blauwwitte. »Ritmeester von Göbern is het petekind en de lieveling van de oude Dessauer, heeft bij hem zijn rangonderscheidingstekens gehad, ging toen naar de markgraaf Markgrafen von Schwedt en dient nu bij Ziethen. Hij is de beste ruiter en schermer van het leger, een goede strateeg bezit, terloops gezegd, een waarlijk vorstelijk vermogen. Persoonlijk ken ik hem niet, maar ik hoorde veel over hem vertellen. Er was een tijd, waarin hij de gevierde man was van de dameswereld van Berlijn en Potsdam, tot men ontdekte, dat hij voor het verliefd zijn te ernstig en voor trouwen te voorzichtig was. Vanwege zijn vlugheid van geest en lichamelijke kracht en onverwoestbaarheid heeft hij regelmatig de moeilijkste en inspannendste missies gekregen, en het zou me niet verwonderen, als men wat betreft mijn persoon, omdat alle pogingen mislukt zijn, - maar dat hoort hier niet thuis. Overigens zijn zijn stallen steeds rijk bezet en laat niets te wensen over. Heb je het paard gehad«

»Uiteraard, en ik zou met de ruil heel tevreden zijn geweest, als de hengst niet een onvergeeflijke fout had.«

»Welke?«

»Hij duldt niemand in het zadel.«

»Je meent het!«

»Zeker! Je weet, dat ik geen slecht ruiter ben, en na mij hebben tien anderen hem bestegen, die misschien nog beter kunnen rijden dan ik: maar we werden er allemaal afgegooid. Het is een schande, het te moeten bekennen, maar wat kan men doen? Alle middelen heb ik uitgeprobeert, maar steeds zonder resultaat; hij gehoorzaamt noch goedschiks noch kwaadschiks, en gooit me de taaiste ruiter voor de voeten. Daarom zou ik hem graag van de hand doen, als ik zeker wist, dat hij in goede handen terecht zou komen.«

»Heb je hem meegenomen?«

»Ja, hij staat met de bruine bij de smid. Ik ben op dit moment trouwens verduiveld slecht bereden. De hengst kan ik niet bestijgen en ik laat hem eigenlijk alleen maar als kostbaar aandenken aan de heftige kopstoten meevoeren, en de bruine loopt mank; omdat hij zich niet laat beslaan. Men heeft hem eens een hoefnagel in zijn leven geslagen, en sinds die tijd kan hij geen smid meer zien. Mijn regimentssmid was de enige, die hij vertrouwde, en die is helaas in het hospitaal gestorven. Toen heb ik alle smeden, waar onze marsroute ons langs voerde, opgetrommelt, maar geen een heeft een hoefijzer kunnen aanbrengen. Nu hinkt het dier met alle vier zijn benen en moet ik de hele tijd op geleende paarden hangen.«

»Naar wie heb je gevraagd?«

»De man heet Weißpflog en zou de beste hoefsmid wijd en zijd zijn.«

»Dat is hij ook. Ik was dan nog wel niet bij hem, maar als er een is die het kan, dan is hij het.«

»Ik kan nauwelijks geloven, dat een oude, kleinburgerlijke hoefsnijder met de bruine klaarkomt, en ben daarom helemaal niet meegegaan. Maar afgaand op jouw overtuiging zullen we hem echter eens gaan bekijken. Gaan de heren mee?«

Alle officieren stonden op en volgden de uitnodiging van de ritmeester; maar tijdens hun wandeling door de staartjes van het stadje was hun gereserveerde houding tegenover de jonker nog duidelijker zichtbaar dan binnen de vier wanden van de gelagkamer. Eerst aan het hoofd van het kleine gezelschap, viel hij bij elke stap terug, tot hij uiteindelijk alleen en onopgemerkt achter de anderen liep.

Toen klonk ze plotseling een luid schreeuwen en hulpgeroep tegemoet; in looppas liepen ze de hoek om, konden echter door de menigte van de samengelopen soldaten en burgers de oorzaak van het tumult niet eerder zien, dan dat ze zich er doorheen gedrongen hadden. Daar lag de rijknecht jammerlijk geradbraakt en vertrapt op de grond; de smid, die door het paard tegen de muur geslingerd was, leunde zacht jammerend tegen de deurpost, en een hele groep cavalleristen hing aan de bruine, die schuimend met hen op en neer liep.

Alle anderen hadden zich voorzichtig teruggetrokken en vormden een dichte kring om de scene, daarbuiten stond iemand, die het voorval met nog grotere spanning volgde dan de anderen die dichterbij stonden. Het was de handwerksgezel,die we in het vorige hoofdstuk hebben leren kennen. Het woest te keer gaande dier en de inspanningen van zijn temmers leek hij helemaal te negeren; zijn ogen hingen alleen maar aan de zwarte hengst, die, door een soldaat vastgehouden, rustig en onbewogen aan de kant stond, en vlogen af en toe omhoog naar de bovenramen van de smederij, waar twee vrouwen angstig door de ruiten loerden.

Door de inspanningen van de officieren lukte het eindelijk, het dier te kalmeren; de rijknecht werd opgetild en weggedragen, en de ritmeester wendde zich tot de smid.

»Nu, meester, hoe is het? Hebt u ook letsel opgelopen?«

»Ik geloof van niet, een kneuzing; het ziet er gevaarlijker uit, dan het is. Maar zo’n duivels paard heb ik nog nooit onder handen gehad, en die kerel heeft me er van tevoren niet opmerkzaam op gemaakt.«

»Nou, zo is het nou eenmaal en ergert u niet, bij anderen is het ook zo gegaan. Hier hebt u drink- en smartegeld.«

Weißpflog greep naar de onverwachtte gift, trok echter halverwege zijn hand weer terug, omdat hij van de andre kant aangesproken werd. Hij draaide zich om en voor hem stond, de muts eerbiedig in de hand, de handwerksgezel.

»Dat God je mag groeten en geluk en zegen in zaken mag geven, meneer de meester!«

»Dank je! Wat wil je?«

»Ik ben een reizende gezel van het prijzenswaardige tuig- , hoef en wapensmidberoep en kom, om het handwerk te leren. Ik heb veel en ver gereist, om iets te leren en eens een bekwaam meester te worden, en omdat ik gisteren gehoord heb, dat u de beste en handigste hoefsmid in de wijde omgeving bent, ben ik gekomen, om me in deze vaardigheid te oefenen en te vragen of u me les wilt geven.«

Ondanks de welgevallige glimlach, die deze goed geformuleerde redevoering op het zwarte gezicht van de smid getoverd had, wierp deze toch een achterdochtige blik op de kapotte kleding van de gezel.

»Je zult niet veel bij me leren; je hebt zelf gezien, hoe de bruine daar me mishandeld heeft. En aan je houding en kleding te zien, lijk je meer op een zwerver dan een rechtschapen hoefsmid.«

»Mogelijk!«

Dit woord werd weliswaar op eerbiedige toon uitgesproken, maar door een handbeweging vergezeld, waaruit een gekrenkt gevoel van eigenwaarde sprak. De spreker wendde zijn rug naar de meester en draaide zich om naar de officieren.

»Wil mijnheer de ritmeester mij de bruine toevertrouwen?«

»Kerel, wat denk je wel? Die maakt je dood!«

»Mogelijk!«

Nu klonk het woord half spottend, half minachtend, en op hetzelfde ogenblik lagen ook ransel, jas, vest en muts op de grond; de mouwen werden opgestroopt en een leren voorschot voor de dag gehaald.

»Heeft de meester vuur in de haard?«

»Het zal nog wel branden.«

»Goed. Ik wil eerst een woordje met het paard spreken, daarna gaan we aan de slag.«

»Halt!« riep de ritmeester, »leg eerst het leren schort af. Als hij je als smid herkent, kun je helemaal niet naar hem toe!«

»Pah, ik moet zeker een zondagse jas aantrekken met pruik en zijden handschoenen! De bruine is op den duur alleen daardoor te bedwingen, dat men hem respect voor het schootsvel bijbrengt en hem eraan wend, anders wordt hij vandaag beslagen en is morgen zijn woedeaanval er weer. Maak plaats, mensen; bindt hem de teugels lang aan de zadelknop en laat hem dan vrij!«

Dat gebeurde, en vol verwachting trokken allen zich terug. In de eerste ogenblikken leek het paard niet te weten, wat hij moest beginnen met zijn gekregen vrijheid; maar toen de gezel hem echter naderde, steigerde hij hinnikend recht omhoog en draaide zich om, om er vandoor te gaan. Maar toen stond de jonge man voor hem, pakte hem met de linkerhand aan zijn manen vast, met de wijs- en middelvinger van de rechterhand in de dampende neusgaten en wierp hem met een ruk, die een Simson eer aangedaan zou hebben, op de grond neer. Uiteraard stond hij op hetzelfde moment weer op, maar net zo snel lag hij ook weer op de grond; geen schuimbekken en knarsetanden, geen trappen en bijten, geen hinniken en steunen hielp tegen de onverbiddelijke en snelle vreemdeling, wiens gezicht niet het geringste spoor van inspanning en opwinding vertoonde, terwijl het snuivende paard in het zweet baadde en de schuimvlokken ver om zich heen wierp. Hij raakte meer en meer uitgeput en kon niet verhinderen, dat de gezel in het zadel plaats nam.

Toen stond het een tijd bewegingsloos, alsof hij na wilde denken, toen ging hij echter met alle vier de benen in de lucht en probeerde, door een aantal zijsprongen de dappere ruiter af te werpen. Deze zat echter met een glimlach om zijn mond en met glinsterende ogen boven op zijn rug en leek het het, hoe doller het monster onder hem werd, steeds leuker te vinden. Toen riep hij eindelijk luid:

»Opgelet nu, wie iets wil leren!«

Met een krachtige stoot groef hij de duim van zijn gebalde vuist tussen hals- en rugwervels van het paard; deze stootte een schreeuw van pijn uit, die met de klank van het normale hinniken niet de geringste overeenkomst had, en probeerde weer te steigeren. Maar als ingemetseld stak zijn lijf tussen de dijen van de ruiter, waarvan de geweldige druk hem ondanks de inspanning van al zijn spieren en vezels de adem en beweging ontnam. Het was om bang van te worden. Hier streed lichaamskracht tegen lichaamskracht, en de geestelijke superioriteit van de mens was op dit ogenblik de mindere. De aders op het voorhoofd en armen van de gezel traden blauw en opgezwollen van onder de witte huid tevoorschijn; de inspanning lag bloedrood in zijn gezicht en groot en zwaar liepen de druppels van het zweet hem over de wangen. Bewegingsloos waren de trekken van zijn gezicht, star hingen zijn ogen aan het hoofd van het paard, en de teugels spanden zich tot brekens toe. De adem van het dier kwam piepend uit zijn neusgaten, het bit knarsde onder de van angst opeengeperste tanden; de hoeven werden onder de krampachtig trillende benen opgetild en zochten toch weer onmiddellijk de vaste bodem. Zo stonden ros en ruiter een hele tijd stil op dezelfde plek, tot uiteindelijk het dier geluidloos ineenzakte.

Een algemeen »Ah!« van opluchting ontsnapte de omstanders, wier hartslag van angst gehapert hadden, en de dunne stem van de kleine, vrijpostige cornet zei:

»Jonker, uw beroemde spierkracht is niets vergeleken die van hem!«

En de ritmeester haastte zich, meer bezorgt om de toestand van de gezel, dan om die van zijn paard, naderbij en pakte hem bij de schouders.

»Kerel, waar heb je dat geleerd, en hoe kom je aan deze verschrikkelijk grote kracht? Je bent ja een ware satan!«

»Mogelijk!«

Zich het zweet afwissend en de meester een wenk gevend, verdween hij in de werkplaats, waar al spoedig krachtige hamerslagen klonken. Toen hij weer terugkeerde, had het paard zich weer opgericht, en liet hem, bij zijn aanblik trillend, rustig en willoos zijn gang gaan en was in de kortste tijd beslagen.

»Hier is je loon, makker, en het vijfvoudige krijg je als handgeld, als je de betrekking van smid in mijn eskadron aanneemt.«

»Bedankt, ritmeester. Mijn moeder heeft me verboden, soldaat te worden. Het geld is echter niet voor mij, maar voor de meester.«

»Je moeder heeft met onze aangelegenheiden niets te maken. Het is voor mij belangrijk, een man van jouw kaliber bij me te hebben, en als iemand zoals ik iets wenst, dan duld ik geen tegenstand. Het uniform van de keurvorst zal je prachtig staan en het is overeigens een eer voor zo’n kerel als jij, die op zijn blote voeten loopt!«

»Ah!« - -

Het was hetzelfde geluid; wat hij ’s morgens tegen de blauwwitte uitgesproken had, vol verachting, spot en minachting. Zijn ogen vlogen naar de zwarte hengst, die bij de klank van zijn stem de oren spitste, en bleef toen met een uitdagende blik aan de dreigende officier plakken.

»En wat zul je doen, als ik je laat oppakken en met me meeneem?«

»Uw eskadron, voor mijn part ook uw hele regiment beslaan, als u me dwingt. Maar zo ver zal het niet komen, daar sta ik voor in!«

»Hoezo?«

»U wilt me met geweld in dienst nemen, en geweld lokt geweld bij me uit. Wie me aanraakt, vergaat het net als met de bruine daar. Basta, klaar!«

Hij stond daar met over zijn borst gekruistte armen en monsterde met een superieure glimlach zijn omgeving. Toen stapte de jonker, die meteen van het eerste ogenblik af de gezel met afgunstige en van woede bliksemende ogen bekeken had, op de officieren toe en fluisterde hen enige woorden toe. Daarop ontspon zich een zachtjes gevoerd gesprek, waarvan alleen de laatste opmerking van de ritmeester te horen was:

»Accoord, ik vertrouw op je!«

Toen trad de spreker met een snelle draai naar de gezel toe.

»Goed, je zult je zin krijgen en vrij blijven, hoewel een ruiter als jij hele andere kansen zou kunnen hebben. Maar je zult een extra fooi krijgen, als je een keer probeert, de moor daar te bestijgen. Hij gooit iedereen eraf, en als je hem weet te bedwingen, dan zal het niet tot je schade zijn!«

Het dier waarover gesproken werd was al enige tijd onrustig geworden, wierp het mooie, uitdrukkingsvolle hoofd op en neer, rukte aan de teugel en slingerde het zand met de ongeduldig schrapende hoeven omhoog. De gezel wierp een bezorgde blik achter zich en antwoordde schouderophalend:

»Bedankt! Mijn moeder heeft me verboden, hengsten te bestijgen!«

De officier lachte geërgerd en wendde zich tot de jonker.

»Weet je wat, Bredenow, ik wil het paard niet langer nutteloos met me meenemen; ik kan hem niet bestijgen, en de bruine zal nu wel zijn plicht doen. Wil jij de moor voortaan te eten geven? Ik ben natuurlijk graag tot een wederdienst bereid.«

»Voor mijn part. Ik ben hier geplaatst en zal goed voor hem zorgen.«

»Top, hij is voor jou.«

De paarden werden afgevoerd, de menigte ging uit elkaar en de officieren deden hetzelfde.

»Bijna had het goede, prachtige, trouwe dier me verraden!« murmelde de gezel zachtjes voor zich heen en trad ging toen naar de meester, die onder de deurpost stond.

»Nou, hoe staat het, wilt u me hebben of niet?«

»Nou, als je dat vind«, lachtte de aangesprokene fijntjes.

»Goed. Ik maak er niet veel woorden over vuil en heb mijn eigen manier van doen, maar ik denk, dat we met elkaar tevreden zullen zijn!«

Laat op de avond, toen iedereen zich te ruste had gelegd, ging Weißpflog aan de tafel zitten, trok de pit van de lamp al snuitend omhoog, zette de grote klembril met ronde glazen op zijn neus, schoof vol verwachting het zwarte mutsje op het achterhoofd en opende het werkboek van de nieuwe gezel, waarin hij nog niet gekeken had, omdat al zijn tijd door het werk en de zorg om de inkwartiering in beslag genomen was geweest.

»De e de; ei g, eig e, eige; na a, naa, r, naar; eigenaar; de eigenaar; v, a, va, n, van; di, t, dit; de eigenaar van dir; b, oe, boe, k, boek; de eigenaar van dit boek.« - - -

Toen hij klaar was met de lastige lectuur, schoof hij de rokende pit weer terug, nam de bril van de neus en legde deze weer in de brillendoos; zette het huismutsje weer recht op zijn hoofd, zoals het naar de macht van de gewoonte steeds gebeurde, als de heer en meester volgens zijn eigen uitdrukking »simpel over iets moest nadenken«.

»Goldschmidt heet hij dus, Richard Goldschmidt, en hij komt uit Hannover, en hij is dertig jaar uit. Hm! Waarom is hij op deze leeftijd nog niet getrouwd en is hij nog geen eigen zaak begonnen? In plaats daarvan zwerft hij over de aarde rond en verslijt zijn kleren! Hm! Hij is misschien een drinker of heeft een andere liederlijke gewoonte, anders zou hij er met zijn vaardigheid heel anders bijstaan. Nou, we zullen wel zien! Mijn oudje kan zijn kleding verstellen, en dan kan door de week aan het werk. En op zondag kan hij mijn oude, gele, halflange broek aantrekken, het rood- en blauwgeblikte zijden vest en de lange, bruine pandjesjas met pofmouwen en batons, die mijn schoonvader zaliger nog voor zijn huwelijk heeft laten maken. Die spullen zullen hem wel zo’n beetje passen, en goede raad zal ik hem ook geven en een goed loon erbij, zodat hij blijft en nog iets kan worden. Hij heeft iets over zich, dat men hem meteen mag, en als men hem recht in zijn ogen kijkt, dan houdt men het niet voor mogelijk, dat hij een losbol en liederlijk kan zijn. Ik denk, dat ik hem niet helemaal begrijp, vooral omdat hij helemaal niet praat en iemand met zijn grote ogen zo voornaam aankijkt, dat men altijd vergeet, wat men wilde zeggen. Ik heb het nog helemaal niet gewaagd, hem te vragen, hoe hij heet, en waar hij vandaan komt. Maar het is een flinke kerel, en ik heb van mijn levensdagen nog nooit zo’n gezel gehad. Maar het hemd, dat smerige – en de gaten in de laarzen - in de broek – en in de jas, - die gaten, - die, - die doen me twijfelen!«

_______
 

3.

Stilleven

Het was donker in het vertrek, donker en stil, en alleen de eentonige slingering van de wandklok liet zich horen. Vandaag werd er niet gewerkt, want het was zondag, en de spaarzame moeder had de lamp nog niet aangestoken. Buiten ging de buitenlucht licht ruisend door de kronen van de bomen en de sterren wierpen hun eerste milde straal door de open ramen. Toen klonken uit het kleine tuintje enkele onsamenhangende snarentonen omhoog en vermengden zich met het minnekozende fluisteren van de takken.

Het was schemerig, die mooie tijd, waarin we het slaan van ons hart duidelijker waarneembaar horen en daarom zo graag de eenzaamheid, de stilte en de duisternis zoeken. Op dit tijdstip zat de nieuwe gezel dagelijks na het werk beneden op de bank, en in de tuinen van de buren stonden de mensen achter de hekken, om naar zijn mooie, sonore stem te luisteren. Maar hij zong niet meer dan een lied, toen ging hij terug het huis in en was de hele avond niet meer te zien. En als Auguste dan naar beneden ging, dan lag er op de bank altijd een roos, omgeven door bloeiende ogentroost.

De afzonderlijke tonen verenigden zich langzamerhand in accoorden, niet aarzelend en eerst proberend, maar meteen luid en vol klonk het lied:

»In jouw liefde ligt mijn lijden,
ligt al de pijn van de verleden tijd - -«

Het was net, alsof het zuchtje wind deze krachtige, mannelijke stem respect tonen; de fluisterende bladeren zwegen en hingen bewegingsloos, en zelfs de vlinder onderbrak zijn vlucht en ging met uitgespreidde, schommelende vleugels op het raamkozijn zitten.

»In jouw liefde ligt mijn hoop,
In jouw liefde ligt mijn hart - -«

begon het tweede vers. De moeder boog zich naar buiten, om zich helemaal aan het bekoorlijke genot ervan te kunnen overgeven; het meisje legde echter haar hoofdje achterover en drukte haar hand tegen de borst, alsof ze tegen een opkomende emotie moest vechten. Toen klonk het derde vers:

»In jouw liefde ligt mijn leven,
ligt mijn hele zaligheid.
O laat me naar jouw geluk streven.

En wees van mij voor altijd - -«

Het was noch een bekend lied, noch een bekend emelodie; de zanger improviseerde vrij, en juist daarom waren woord en melodie zo indringend en aangrijpend.

»Gustel, ik hoor, dat je weer huilt, en dat is toch niet vanwege je zieke ogen.«

Toen sloegen er twee armen om haar nek, en de stem van het kind fluisterde:

»Moeder, ik heb zo’n verdriet, zo’n verschrikkelijk verdriet!«

»Vertel me, waarom?«

»Ach neen, dan zou jij ook gaan huilen, en dat zou me nog treuriger maken.«

»Ik zal niet huilen, Gustel. Ik ben sterk geworden door het ongeluk en zal jouw verdriet niet verdubbelen door mijn klagen.«

»Maar je moet het leed toch voelen, en hoe meer je het verbergt, des te groter wordt het.«

»Heb je een geheim voor me, kind?«

»O neen, neen, maar het vertellen is zo moeilijk.«

»Kom, leg je hoofd innig maar toch stevig tegen me aan en bedenk, dat ik als moeder een heilige aanspraak op de gedachten van je hart heb.«

Ze omarmde haar moeder vaster en vaster, en langzaam, langzaam en aarzelend klonk het:

»Ik kan - kan - kan niets meer zien, - niets, helemaal niets meer.«

»Mijn kind, mijn arm, arm, dierbaar kind!«

Het was een schreeuw, zoals alleen een moeder hem kan uitstoten, een schreeuw uit de diepste diepte van angstige, ontzette ziel, en toen was het rustig. De beide vrouwen hielden elkaar omstrengelt; geen van beide van een woord, eenieder probeerde zijn gevoelens te bedwingen, en toch sloegen de boezems tegen elkaar aan en verraden de storm, die de golven van hun gevoelens in beweging zette. Lang, lang zaten ze zo, tot de moeder eindelijk het woord nam.

»Sinds vandaag?«

»Ja. Toen ik vanochtend opstand, was het donker om me heen, en toch wist ik dat je aan het werk was.«

»En is het werkelijk zo, dat je niets, helemaal niets meer kunt zien? Zie je dan misschien nog een lichtschijnsel?«

»Neen. Vanaf de dag, dat de jonker me zo liet schrikken, is het zo erg geworden; de warmte is steeds toegenomen, en nu mijn ogen weer koel zijn, is het laatste restje hoop dat ik nog had, van me weggenomen.«

»En dat is de reden, waarom je zo verdrietig bent?«

»Ja, maar ook nog iets anders.«

»Vertel me dat ook, mijn Gustel.«

»Ik kan het niet.«

»Waarom niet.«

»Omdat ik het zelf niet weet.«

Er volgde weer een pauze; de ervaren moeder kon onmogelijk glimlachen over het laatste antwoord van haar dochter. Ze wist, dat er in een zuiver, ongerept meisjeshart emoties zitten, die niet eerder naar buiten komen, als dat ze van buitenaf aangeraakt zijn geworden.

»Maar je bent je bewust van deze reden?« vroeg ze eindelijk.

»Ja.«

Ze wilde nog verder doorvragen, toen haar dochter er tussenkwam.

»Heb je hem daarnet horen zingen?«

Bijna geschrokken deinsde de gevraagde achteruit. Daaraan had ze helemaal niet gedacht, nu wist ze echter, dat de blindheid van haar kind een dubbel ongeluk voor deze was. Liefkozend trok ze haar tegen zich aan, en de diepste ontroering klonk uit elk van haar woorden, toen ze het enige middel aangreep, het meisje te bewaren voor het leed, waarover nog niet te praten viel, zonder de smetteloze en argeloze inborst van haar pijn te doen.

»Je weet waarschijnlijk nog niet, dat het eigen leed vergeten kan worden als je over het leed van een ander praat. Laten we daarom eens terugkijken in mijn verleden, zodat je geestelijk oog scherper wordt voor datgene, wat het physieke oog niet kan zien. Tot nu zijn slechts enkele dingen uit uit mijn jeugd jou bekend; ik wil deze countouren aanvullen en je oprechtheid met de mijne belonen. -

Mijn ouders heb je niet gekend, ze zijn me al vroeg ontvallen, en ik heb buiten jou en je vader nooit iemand gekend, bij wie ik me met meer dan gewone toeneiging bij aangesloten heb. Vader was ambtenaar geweest in Leipzig, en na zijn dood kwam ik tercht bij verre verwandten van hem, die me echter alleen opnamen, om op het loon van personeel te kunnen besparen. Ze hadden altijd enige studenten in huis, voor wie ik moest zorgen. Hierdoor kwam ik vaak met ze in aanraking, die echter ondanks de bekende opdringerigheid van de meesten van deze mensen een zuiver dienstbare bleef, tot ik je vader leerde kennen.

Hij heette Emil Wallner, was de zoon van arme, reeds gestorven ouders en bezat in hun kleine, onbeduidende erfenis, die weliswaar nauwelijks toereikende middelen gaf medicijnen te studeren en zich op deze wijze een tevredenstellend bestaan te kunnen opbouwen. Hij was een stille, bescheiden, vlijtige en daardoor een jonge man, rijk aan kennis, waartoe ik me al snel met het innigste vertrouwen aangetrokken voelde, dat zich echter al snel door zijn mannelijke schoonheid in de hartelijkste liefde veranderde, die hij me net zo warm en innig beantwoordde. We wisten beide, dat we het geluk van onze toekomst alleen konden verwachten door onze eigen arbeid en vlijt, en zo probeerden we met vereende krachten ons leven te verbeterenen, we zagen af van elk genot, dat onze geringe middelen kon bedreigen of zelfs verminderen. Maar ondanks dat, misschien zelfs wel vanwege dit onafgebroken werken, was deze tijd een mooie, ach, zelfs zo’n hele mooie, dat de herinnering daaraan zich als een gouden, verhelderend avondrood zelfs vandaag nog al mijn denken, voelen en willen beheerst.

Helaas kwam het ogenblik, dat ons een bittere scheiding bracht, veel te snel, maar door de hoop van een weerzien viel het me lichter. Dat deze hoop tevergeefs is geweest, dat weet je, maar ik hou me er aan vast, zoals ik mijn liefde trouw en warm bewaard heb, en beide, hoop en liefde, zullen niet eerder sterven, dan dat ik zelf met hen begraven ben

Emil ging, door de beste referenties aanbevolen, met een rijke en hooggeplaatste Engelsman, door wiens invloed hij zich gunstige ontwikkeleingen wat betreft zijn latere levensomstandigheden voorstelde, op reis. We beloofden elkaar, zo vaak mogelijk te schrij-ven, maar buiten de enige brief, die hij mij, begeleid door de daar onder de spiegel hangende potloodtekening, vanuit Wenen stuurde, heb ik tot vandaag geen bericht van hem gehad.

Ach, het waren droevige dagen, die dagen, toen hij bij me wegging, hoewel ik zijn aanwezigheid en hulp al snel nodig zou hebben. Ik heb ze overwonnen, maar alleen door de gedachte aan de verplchting, mijn leven alleen aan jou, jouw opvoeding en jouw geluk te moeten wijden, bleef ik met beide benen op de grond staan. Leipzig, waar elke straat, elk huis, elk voorwerp mij aan mijn eenzaamheid en verlatenheid herinnerde, had mijn humeur bedor-ven, en ik ging onder begeleiding van een zakenman hier ter plaatse, die gedurende de jaar-beurs steeds bij ons verbleef, naar Ernstthal, waar het me bij de eenvoudiger behoeften gemakkelijker zou worden, door het werk van mijn handen het brood voor jou en mij te verdienen.

Ik heb hier zeer veel, zeer veel liefde en vriendelijkheid gevonden, en de eerste opwindende en slopende pijn is geweken voor een stille, passieloze droefheid, die door jouw liefde steeds verzacht is. Ook in het menselijk hart volgen er op stormachtige dagen tijden van vrede, en ook al kan een mooie veelbelovende lente van het leven niet helemaal in de vergetelheid zinken, dan is toch een vergevend gevoel die beste waarborg voor een troostrijke en langduri-ge rust.« - - -

Ze haalde diep adem en legde haar hand kalmerend over de ogen, waarin de tranen van herinnering warm en vochtig te voorschijn waren gekomen.

»Mijn moeder, mijn lieve, lieve moeder!«

»Ja, mijn kind, jij bent mijn grootste rijkdom; je bent het enige goede, dat me gebleven is, en zonder jou kan ik niet bestaan en niet leven.«

Weer volgde er een pauze, die zo’n kalmerende en weldadige invloed op een geestelijke opwinding uitoefenen, en deze keer verbrak Auguste de stilte.

»Zou hij soms gestorven zijn?«

»Het is voor mij onmogelijk, aan hem als aan een dode te denken, en vandaag zie ik hem nog steeds zoals vroeger en altijd hem in zijn volle, frisse, jeugdige kracht voor me staan, zoals ik hem voor het eerst zag. O, ik zou al die vele jaren van ellende vergeten, als ik hem nog een keer kon zien, om hem te zeggen, hoe lief, hoe oneindig lief ik hem heb gehad. En zelfs als hij nog zo arm en ellendig bij me zou komen, zou ik verwelkomen, dag en nacht voor hem zorgen en nooit, nooit een woord van verwijt over mijn lippen laten komen!«

»En ik, ik zou hem hem niet kunnen zien!«

»Blijf kalm, mijn liefste! De ziekte van je ogen heeft me zware en bittere zorgen gegeven, en deze zorgen zijn nu groter dan ooit; maar ik heb duizend maal onder het huilen van hete tranen in gebed voor God gezeten, en hij zal jou, onschuldige, niet verantwoordelijk houden voor fouten, waaraan je geen aandeel hebt. We hebben tot nu toe waarschijnlijk niet de juiste arts gevonden en moeten nog een keer naar Chemnitz gaan, waar nu een zeer goede oogarts zou praktizeren. Nu echter wacht de meester met het avongebed op ons. Kom, laat het genoeg zijn voor vandaag!«

Ze gingen naar beneden, en vonden de meester inderdaad al achter de oude omvangrijke Neuerenberger platenbijbel zitten.

»Kom, schiet op jullie! Mijn oudje wacht al enige tijd op het evangelie van vandaag, we waren niet in de kerk. Op Richard hoeven we helaas niet te wachten, die bidt nooit, maar zwerft liever met zijn jagerfranz, met wie hij dikke vriendschap gesloten heeft, in het bos rond of bedrijft boven op zijn kamer gekheid. Het wordt niets met hem, en daarom houd ik de halflange broek, het mooie geblokte zijden vest en de bruine Schooßßrock zelf; hij heeft ze ook helemaal niet nodig, want vanmorgen vroeg is hij een fonkelnieuw kostuum naar beneden gekomen.«

Hij zette zijn bril recht en las het evangelie voor. Toen sloeg hij een oud, veelgebruikt, in varkensleder gebonden gebedenboek open, waaruit hij het »avondgebed voor de zondag« spelde en wilde juist na het »Amen« het boek weer dichtslaan, toen de deur geruisloos geopend werd en de gezel binnentrad. Na een kort »goedenavond« ging hij aan dezelfde tafel zitten, nam de meester het boek uit de hand, bladerde enige tijd zoekend daarin en begon toen met de boeiende woorden:

»Hoor, wordt er niet aan de poort geklopt?
Wie komt eraan, door hemelse geuren omringt?
Waar komt de troost van zoete woorden vandaan,

Waar mijn hart met aandacht naar luistert?

Wie buigt, als alle sterren zonken,

Met mild licht en stille genade

Zich naar de zieken van de aarde?

Het is de engel van het geduld!

O, laat de smart niet groot worden,
Jij diepbedroefd mensenkind!

Weet, dat het lijden op deze aarde

De beste gescheneken van de hemel zijn,

En dat, als de zorgen om je heen spoelen

En je omhullen in nachtelijke twijfel,

Daar, tegen de door glans omgeven hemelboog

Een trouw vaderoog over je waakt!

O, laat je hart niet bezwaard worden
Door de lang ingehouden tranenvloed!

Weet, dat juist in het pijnlijke

Noodlot diepe wijsheid rust,

En dat, als er niets anders voor je overblijft,

De hoop je steeds weer toelacht,

Omdat in eeuwige liefde

Een trouw vaderoog over je waakt!

O, voel je nooit eenzaam,
Hoewel geen oog ze ooit zag wandelen.

Om het zorgelijke voorhoofd te koelen

Zijn er altijd hemelsboden aanwezig.

Wie steeds aan zijn eigen hart geloofde,

Die kent de heilige macht van de polsslag.

Weet daarom, dat boven je hoofd

Een trouw vaderoog over je waakt!

En als je oog weer opengaat
En je de heldere, gouden zonnestraal ziet,

Dan daalt het licht van de serafijn naar beneden,

Waar je al vele duizenden malen op gewacht hebt.

O, koester steeds het geloof,

Die je ziel troost heeft gebracht,

Dat over al je wegen

Een trouw vaderoog waakt!«

Toen hij klaar was, sloeg hij het boek weer dicht en verliet met een zoals voorheen kort »goedenacht« het vertrek.

Het was net, alsof het gedicht geschreven was juist voor de gemoedstoestand van de aanwezigen, en niemand kon de diepe indruk verbergen, die dit onverwacht voorlezen teweeggebracht had. De meester was de eerste, die wat zei.

»Neen maar, wat kan die Goldschmidt voorlezen; wie had dat van hem gedacht! Het is werkelijk jammer van het mens, dat hij nachtenlang buiten rondzwerft. Maar ik ken het boek uit mijn hoofd en heb dat gedicht nog nooit gevonden. Ik moet de bladzijde eens opzoeken, waar op het staat, het was vlak bij de rode bladwijzer, die ik er gisteren ingelegd heb.«

Hij bladerde, maar tevergeefs.

»Ik denk zelfs, dat hij het gedicht zo uit zijn blote hoofd gemaakt heeft, zoals hij al zijn liederen maakt, die hij buiten in de tuin zingt, want ik vind het ding in het hele boek niet. Het is echt jammer, heel jammer om de kerel!«

Hij stond op, en dat was bij hem het teken, dat hij zich te ruste wilde begeven. Daarom stonden ook de anderen op. Buiten voor de trap bleef Auguste staan.

»Mag ik nog een moment naar de tuin, moeder?«

»Het is koel, kind, en zult misschien de weg er naar toe niet zeker vinden.«

»O jawel, en kou vatten zal ik ook niet. Het is maar voor even en ik kom zo boven.«

Toen ging de moeder naar boven; ze gunde haar zo graag de gelegenheid, buiten in de stilkte van de avond innerlijk kalm en helder te worden.

Auguste kende elke duimbreed van de weg en vond ondanks de nacht van haar ogen de bank. Tastend ging ze met de hand er overheen, maar de verwachte bos bloemen lag er vandaag niet. Ze was alleen voor hem hierheen gekomen en wilde nu teleurgesteld weer teruggaan, toen ze de achterdeur hoorde knarsen en iemand naderbij hoorde komen. Het was Goldschmidt, ze kende deze lichte, elastische en toch zo zekere stap. Het voelde net, alsof ze zich moest verbergen, en onwillekeurig stapte ze aan de kant, daar werd ze echter ook al bij haar hand gepakt.

»Alsjeblieft, Auguste, niet bang zijn!«

Hij bracht haar naar de bank terug en ging naast haar zitten. Ze was heel bang, maar deze angst was niet van het soort, dat men voelt bij een gevaarlijke gebeurtenis.

»Ik wil graag twee vragen stellen. Mag ik?«

»Ja«, antwoordde ze aarzelend.

»Wie stelt het getekende portet voor, dat boven onder de spiegel hangt?«

»Mijn vader.«

»Is het toegestaan, iets naders over hem te weten te komen?«

»We weten zelf al lange tijd niets meer over hem. Hij heet Emil Wallner, was student in de medicijnen in Leipzig en ging achttien jaar geleden met een Engelsman naar Wenen, van waaruit hij voor de laatste keer geschreven heeft. Dat is het ene, en nu het andere. Mama heeft van ene mijnheer von Bredenow, die men hier kent als de 'blauwwitte', de opdracht gekregen tot vervaardiging van fijn linnengoed, en deze heer komt nu bijna dagelijks, om te zien, hoever het met het werk staat. Zijn aanwezigheid is ons buitengewoon onwelkom«, schoot het meisje met een zuivere intuïtie te binnen, die we zo vaak en graag bij het andere geslacht waarnemen. »Moeder heeft de opdracht alleen aangenomen, omdat ze op dit moment niets te doen heeft en ze niet kon weten, dat het het excuus zou zijn voor herhaaldelijke bezoeken.«

»Dank je wel.«

Hij stond op en pakte haar beide handen.

»Is Auguste boos op me vanwege mijn opdringerigheid?«

»Neen.«

»Echt niet?«

»Echt niet!«

»Welterusten, mijn lieve Auguste!«

»Welterusten.«

Zij voelde zijn lippen op haar hand en hoorde toen zijn zijn verwijderende stap. Haar hart klopte onstuimig en onvermoedde gemoedsbewegingen brachten haar binnenste in beroering. Een vreemde, ja zeker elke vreemde zou ze met deze vragen hebben afgewezen, tot deze man voelde ze zich echter met een open, onweerstaanbaar vertrouwen aangetrokken, en het was net, alsof hij door zijn vragen de bron van haar ziel tot op de bodem kon leegscheppen. Zo indringend als bij de woorden »echt niet?« en zo diep en innig als bij de afscheidsgroet »welterusten, mijn lieve Auguste!« had nog geen stem haar geklonken, en in zijn manier, in de derde persoon tegen haar te spreken, had iets weldadigs, iets voorkomends gelegen. Hij was het geweest, die haar uit de omarming van de gehaatte jonker gered had, dat was haar duidelijk geworden uit de gesprek met de laatste duidelijk geworden, en nog steeds dacht ze met angst en ontzetting terug aan dat ogenblik, waar hij voor haar raam met het razende paard geworsteld had. Deze man kon onmogelijk zo zijn, zoals de meester hem afgeschildert had, en ook al bezat ze niet de scherpe blik van de psychologische rijpheid en ervaring, ze kon toch ook niet de overtuigende taal van haar gevoelens weerstaan.

Nog lang zat ze nadenkend op haar plaats en hield met haar hand beschermend de plek omsloten, waarop zijn mond gerust had. Toen stond ze op en schuurde langs een voorwerp, dat naast haar lag. Ze pakte het op; het was de gezochte bos bloemen. Had het hier al gelegen en was het door haar niet opgemerkt of was het eerst later hier neergelegt? Ze wist het niet, maar toen ze in bed lag, kon ze de slaap niet vatten, en toen ze eindelijk haar ogen sloot, klonken haar de woorden, die ze tot nu alleen uit de mond van haar moeder had gehoord en die ze voor alles op de wereld niet had willen misssen, nog steeds in haar oor: »Welterusten, mijn lieve Auguste!«

_______
 

4.

Het gevecht

De herfst was aangebroken in het land en had velden en akkers met die weemoedige kleuren bekleedt, die ons vertellen, dat de scheppende natuur te ruste gaat en dat de tijd van bloemengeur en vogelgezang afscheid aan het nemen is. Tijdens deze dagen trillen de snaren van het mensenhart in een stemming, die ons zo graag tot nadenken en tot inkeer in ons binnenste voert, en daarom is de herfst ook de tijd van de oogst van de vruchten, die in onze boezem rijpten, zoals hij de schoven verzameld, die de sikkel van de maaier van de aarde lossneed. En als er ergens pijn in onze borst begraven is, dan staat het ten tijde van het vallen van de bladeren op uit de dood en richt ons bewustzijn naar beneden naar de aarde, vanwaar we opstijgen, om door de moeite en arbeid van het mensenleven de geest voor een hogere wereld te rijpen en daarna weer in het stof terug te zinken.

Zulke gedachten waren het, die de moeder op deze vroege morgen al had en in de tuin gevoerd had. Het was haar verjaardag en tegelijk de dag, waarop ze twintig jaar geleden haar geliefde voor de eerste keer gezien had. Deze dag had haar het leven gegeven, had toen over de richting van haar leven beslist en moest haar nu ook duidelijkheid geven over de toekomst van haar kind. Ze verwachtte daarom op een later uur van de morgen de op de voerman die de boodschappendienst onderheild, met wie ze in begeleiding van Auguste, op zijn paard en wagen naar Chemnitz naar de oogarts wilde rijden. Haar middelen rijkten echter qua omvang niet uit voor een langer durende kuur, want de algemene noodtoestand had door de oorlog zich al langere tijd bij haar voelbaar gemaakt en haar kas uitgeput, maar de jonker had voor vanmorgenvroeg de levering van zijn ondergoed bedongen, omdat hij op reis moest, en van de betaling voor dit werk kon ze in elk geval de kosten van de reis en een consult bij een arts betalen. – Toen werd ze in haar nadenken onderbroken.

»Moeder, ben je beneden?«

»Ja, hier ben ik.«

»Kom eens snel naar boven!«

Ze gaf gevolg aan de oproep, had echter de kamerdeur nog maar net geopend, of ze stootte een schreeuw van verrassing uit. Tegenover de deur hing het met olieverf geschilderde borstbeeld van een man, aan wie ze vandaag al zo veel had gedacht. De blos van gezondheid en jeugd op zijn wangen, de gouden- en zilveren tressen van de cerevis (met gouddraad bestikte studentenmuts zonder rand) op de lokken, leek hij levend achter de rijk versierde en door guirlandes omwonden lijst gestapt te zijn, om de wens te vervullen, die ze nog niet lang geleden met hartstochtelijk verlangen tegen haar dochter had uitgesproken. Met uitgestrekte armen stortte ze luid snikkend op het schilderij af en drukte haar krampachtig trillende lippen steeds opnieuw op daarop.

»Emil, Emil, mijn Emil! Is het waar, dat dit schilderij jouw lieve, onvergetelijke trekken zo getrouw en naar waarheid heeft vastgehouden, zoals ze in mijn hart ingeprent zijn? Kom Auguste, kom snel hier en zie je vader!«

»Moeder, ik kan het niet.«

»Mijn God, dat is waar! Maar je moet hem zien, je zult hem zien, ik voel op dit ogenblik, dat God God niet zou zijn, als onze gebeden niet verhoord zouden worden! Maar wie heeft deze verrassing bezorgd, waar komt het schilderij vandaan, en wie heeft het geschildert? Jij weet het!«

»Neen. Toen ik was opgestaan en de kamer in kwam, voelde ik de krans daar op de tafel en dacht meteen, dat het een verjaarscadeau voor jou zou zijn. Daarom riep ik je.«

»Ook daar nog! Wat is het?«

De tafel was bedekt met een wit tafelkleed, waarop, door bloemen, vruchten en gekonfijte vruchten omgeven, een kunstig versierde zilveren blad met een brief lag. Haastig pakte ze de laatste, wierp een blik op het adres en viel toen voor bewusteloos in de stoel.

»Moeder, mijn goede moeder, wat is er met je?«

»Niets, helemaal niets! Laat me en gun me een moment van herstel!«

Met gevouwen handen de brief tegen de bonsende borst drukkend, zat ze daar met gesloten ogen en liet door de glimlach van geluk, die op haar anders zo bleke gezicht lag, de gelukzaligheid verraden, waardoor ze door overweldigt was. Maar de ongewisheid over de inhoud van de brief liet haar niet lang met rust, en met van opwinding trillende handen opende ze hem.

»Het is een brief van je vader; ik herkende het handschrift onmiddelijk, ondanks dat het in de loop der jaren erg verandert is. Hier staat zijn handtekening en daar ook zijn oude, vertrouwde aanspreekvorm, die hij altijd gebruikte:

     'God groete je, mijn lieveling!
Ik heb veel en zwaar tegen je gezondigt en mag daarom nauwelijks verwachten, dat je nog vriendelijk over me denkt. Maar het verlangen naar vergeving en verzoening drijft me naar jou en dicteert me de groet, die ik je vandaag op je verjaardag stuur als een voorbode van een spoedige aankomst.

     Emil Wallner.'»

»Hoor je dat«, riep ze juichend, »hij komt, hij heeft me niet vergeten, en hoewel hij niets over liefde schrijft, dan weerhoud hem alleen de onzekerheid over mijn gevoel dit woord te gebruiken. O, nu is alles, alles goed, en kan het verleden vandaag achter me laten als een akelige droom, waaruit men ontwaakt, om zich dubbel te verheugen aan de mooie werkelijkheid. Maar laat ons nu beneden vragen, aan wie we deze vreugde te danken hebben!«

Maar ondanks alle haast kwamen ze niets te weten. De beide smeden waren in het voorportaal bezig geweest en konden dus niet met zekerheid zeggen, of er iemand naar binnen of buiten was gegaan, en van hen zelf kon de gift onmogelijk komen.

Terwijl men zich beneden uitwijdde over verschillende veronderstellingen, bevond Auguste zich boven alleen in de kamer en wachtte op de uitslag van de inlichtingen. Ze had wel een vermoeden, maar ze kon er niet mee overweg, omdat ze haar te ongegrond leken. Toen ging beneden de huisdeur open en de trap kraakte onder zware, gewichtige stappen. Ze had deze stappen de laatste weken vaker moeten horen dan haar lief was, en trok zich, toen de deur geopend werd, in de hoek van de kamer terug.

»Goedemorgen!«

»Goedemorgen, jonker!«

»Ik kom naar mijn linnengoed kijken en vind jou alleen in het vertrek. Is je moeder weg?«

»Neen, ze is beneden en ik zal haar roepen. Uw linnengoed is klaar.«

»Wacht nog maar even met het roepen, de tijd bij jou duurt mij niet te lang.«

»Maar wij hebben vandaag weinig tijd, we gaan op reis.«

»Ach! Waarheen?«

»Naar Chemnitz naar de oogarts.«

»Dat is verstandig en nodig. Maar jullie kunnen toch niet de hele weg lopen?«

»Neen, we varen met het schip.«

Ze had niet kunnen zien, hoe zijn kleine, stekende ogen vol leedvermaak van onder de borstelige wenkbrauwen gefikkerd hadden, toen ze hem argeloos de mededeling deed van de geplande reis. Nu was hij op haar toegestapt en had haar hand gepakt.

»Ik wens je natuurlijk de best mogelijke afloop, maar zo lang jullie geen geld hebben voor een intensiefe medische behandeling, geloof ik er niet in. Als je wat meer toeschietelijker zou zijn, dan zou ik al deze kosten op me nemen.«

»Laat me, mijnheer, ik moet mijn moeder roepen!«

»Straks, schat, als we het eens zijn.«

Hij trok haar met geweld tegen zich aan en merkte in zijn geestdrift niet, dat de moeder binnengekomen was.

»Mijnheer von Bredenow, gelden uw bezoeken uw linnengoed of iets anders?«

»Beide, mijn beste mevrouw«, antwoordde hij en hield daarbij het meisje nog steeds vast.

»Het linnengoed is klaar.«

»Goed, ik zal het laten ophalen.«

»Dan kunnen we dus afscheid van u nemen?«

»In dit geval moet u mij wel het initiatief laten. Ik heb van de juffrouw hier gehoord, dat jullie naar Chemnitz willen en stond op het punt, de zieke ogen aan een nader onderzoek te onderwerpen, om ook mijn goedgemeend oordeel daarover te kunnen geven.«

»Dan verzoek ik u, dit onderzoek te verschuiven naar een ander tijdstip. De voerman is al beneden en we kunnen ons niet met nutteloze dingen bezig houden.«

»Ach, u wijst me dus de deur?«

»Ze is te groot, om ook niet aangewezen opgemerkt te worden.«

»Goed, ik ga, maar eerst sta ik mezelf een klein afscheid toe.«

Hij legde zijn arm weer om het meisje, werd echter door de boze moeder meteen vastgepakt.

»Laat het kind gaan of ik roep om hulp!«

»Ah, nu wordt het interessant; de kat beschermt het katje.«

Hij stootte de storende van zich af en liep achter het meisje aan, dat zich weer in de hoek had terug getrokken en de tafel als bescherming voor zich geschoven had.

»Meester, Richard, hierheen, help!« riep de moeder.

De gezel stond alleen aan het vuur, was met twee sprongen boveaan de trap en stond op hetzelfde ogenblik tussen Auguste en de jonker. Het wit van zijn bliksemende ogen stak vreesaanjagend naar voren uit het door roet zwart geworden gezicht en zijn stem klonk kort en gebiedend, toen hij, op de deur wijzend, het commande herhaalde, dat hij bij deze man al eens uitgesproken had:

»Omkeren! - Mars! - Een!« -

Toen kwam ook de meester het vertrek in, en de jonker, die zich in in het bijzijn van de vrouwen waarschijnlijk moediger als toen getoond had, zag zich, geplaatst tegenover twee tegenstanders, gedwongen, het veld te ruimen.

»Het is zo, dat ik moet zwichten, maar slechts om een spektakel uit de weg te gaan. Onze volgende ontmoeting zal een beslissing tussen ons brengen.«

Na betaling van zijn rekening trad hij zijn smadelijke terugtocht aan en de beide vrouwen bestegen korte tijd later de ladderwagen, die ze naar de bang verwachtte beslissing zou brengen.

_________
 

De dag ging ten eind, de avond begon al te vallen en nog steeds waren ze er niet. Weißpflog werd onrustig en doofde vroeger dan gewoonlijk het vuur. De beide huisgenoten waren hem zo lief geworden, dat het voelde alsof ze tot zijn eigen familie behoorden, en hun wegblijven veroorzaakte bij hem ernstige bedenkingen. Goldschmidt echter liet niet het minste spoor van zorgen merken. Zwijgzaam als altijd, maakte hij van de afwezigen met geen woord gewag, ging na gedane arbeid rustig zitten eten en verliet toen onverstoorbaar het vertrek. Maar nauwelijks een minuut later hoorde de familie van de meester hem het huis verlaten, en toen de nieuwsgierige huisvrouw hem door de halfgeopende deur nakeek, zag ze hem de weg naar de straat inslaan, die naar Chemnitz voerde.

Hoe verder hij zich van Ernstthal verwijderde, des te haastiger werd zijn gang. Kort voor het volgende dorp kwam hij een gesloten koets tegen, waar hij op de bok, ondanks de duisternis, twee mannen ontwaardde, van wie de ene bijna een kop groter was als de andere.

»Dat was de jonker! Hij komt ook uit Chemnitz en hier wordt een duivelse streek uitgevoerd, die in elk geval in verbinding staat met het lange wegblijven van onze vrouwen. Ik rij mee.«

Zo gedacht, zo gedaan. Hij nam plaats op de lege kofferplank en besloot, pas af te stappen als de koets stopte.

_________
 

De vrouwen werden pas in de namiddag bij de arts toegelaten. Deze had de zieke ogen zorgvuldig onderzocht en toen zijn hoofd geschud. De medische kennis had toen nog niet de hoge ontwikkeling bereikt, waarop ze zich nu bevindt; men ruziede over de verschillende systemen en men was nog niet tot de ervaring gekomen, dat het de beste vaardigheid van een arts is, obstakels te verwijderen en de natuur te ondersteunen. Men filosofeerde of verschillende zaken en slechts zelden waagde een begaafd hoofd het, de dam van de tradione-le geneeswijzen te doorbreken. En zo kreeg de blinde na hoofdschudden een verkoelende in-wrijving naast een oplossing van galmeisteen en werd toen met enkele troostvolle woorden weggestuurd.

In de herberg troffen ze de voerman in grote verlegenheid vanwege hen. De retourlading van vandaag was zo groot, dat de wagen hoog opgeladen was en dat er aan gemakkelijk zitten niet gedacht kon worden. Tot hun geluk haalde hen al snel een lege koets in, waarvan de koetsier ze met een medelijdende blik aankeek en toen naar het doel van de reis vroeg.

»We willen naar Ernstthal.«

»Ik moet daar ook heen. Als jullie willen, dan kunnen jullie gerieflijker en sneller naar huis komen. Stap over naar mij.«

Het vriendelijke aanbod werd aangenomen, en Auguste zat al op de zachte kussens, toen plotseling de paarden schuw werden en er in de snelste loop met de koets vadoor gingen. Het duurde geruime tijd, voordat het span paarden tot een langzamere tred gebracht konden worden, en toen het meisje de koetsier vroeg, op haar moeder te wachten, klonk zijn antwoord afwijzend.

»We zijn haar nu te ver vooruit, en ik mag niet stoppen, omdat de paarden te vurig zijn en ik ook op een bepaalde tijd wil aankomen. Als je wilt wachten, dan kun je uitstappen.«

Vanzelfsprekend scheen hij het laatste niet zo ernstig te nemen, want hij maakte geen aanstalten, de teugels in te tomen, en het meisje had ook geen reden, de man te wantrouwen. Ze zat hier zo warm en zacht, en voor haar moeder was de rit op de kisten in elk geval nu minder bezwaarlijk geworden. Ze leunde achterover in een hoek en was al snel in zo’n vaste slaap gevallen, dat ze niet merkte, dat het ondertussen nacht werd en dat de wagen stopte, om de jonker op de bok te laten klimmen, die zachtjes vroeg:

»Alles gelukt?«

»Alles.«

»Goed. Wir biegen später von der Straße ab en rijden naar de kleine boshut, waar je haar laat uitstijgen en naar binnen brengt nog voor dat ze iets in de gaten heeft. Voorwaarts.«

Dat korte tijd later de gezel achterop was geklommen, werd niet ontdekt, en zo ging de rit de straatweg af, het bos in en eindigde voor een hut, die bedoeld was, om de boswachters gedurende de nacht bij slecht weer onderdak te bieden. De koetsier klom naar beneden en opende, terwijl de blauwwitte snel naar binnen ging, het portier.

»Nou, we zijn er. Je kunt naar buiten komen.«

Nog half slaapdronken, viel het haar helemaal niet op, dat het haar compleet vreemde mens haar nog helemaal niet naar haar woning gevraagd had. Ze volgde de leidende hand en werd pas opmerkzaam, toen ze onbekende voorwerpen onder de tastende vingers voelde en een eigenaardige moddergeur rook, zoals je die in onbewoonde ruimtes ruikt.

»Mijn God, ik ben helemaal niet thuis!«

»Maar toch in veiligheid, en het zal je hier in het eenzame boshuis best bevallen, als ik eerst het rijshout daar op de haard aangestoken heb. Dan wordt het warm en behaaglijk, en we kunnen ons onderbroken onderhoud van vanmorgen in alle gemoedelijkheid voortzetten.«

Ze kromp bij de klank van deze stem van schrik ineen en draaide zich haastig om, om de uitgang te zoeken. Toen werd ze echter bij haar hand gepakt en hoorde ze tegelijk de grendel in het slot vallen.

»Halt, zo snel gaat dat niet, liefje! Nu moet je het wel bij me uithouden; de wagen is weg en deze keer kunnen God of de duivel je niet helpen.«

»De duivel zeker niet, maar denk je echt, dat er geen hogere bescherming is voor een arm, weerloos meisje en dat ik nu verloren ben, omdat ik niet meer kan zien en me dus nog minder verdedigen kan dan vroeger?«

Het anders zo angstige meisje, dat toendertijd op de bosweide van schrik niet in staat was geweest een woord te zeggen, was op dit ogenblik nauwelijks meer te herkennen. De gedachte, dat ze in haar huidige situatie hulp niet van buitenaf, maar alleen in zichzelf te zoeken had, concentreerde al haar energie op het besluit, zich met de laatste resten van haar zwakke krachten te verdedigen. Trots en rechtop, de blos van verontwaardiging op haar wangen, de starre ogen spookachtig op haar tegenstander gericht, stond ze daar, verlicht door het schijnsel van de knisterende vlammem en strekte de arm uit, om naar steun te zoeken. Bij deze beweging kreeg ze het gevest van de floret in de hand, die de jonker vanwege het gemak afgedaan had en in de hoek gezet had. Hetzelfde ogenblik was het wapen ontbloot en getrokken om te steken, en deze vastberadenheid liet niet na zelfs indruk te maken op de harde, medogenloze meisjesrover.

Hij had onwillekeurig een stap achteruit gedaan, maar deze verbijstering maakte snel plaats voor een hoongelach vol leedvermaak, waarmee hij weer op haar toetrad.

»Alle donders, nu begin ik toch echt bang te worden. Maandenlang heb ik om je heen gelopen en heb naar een gelegenheid gezocht, om eens echt alleen en ongestoord met je te kunnen zijn, en nu het me eindelijk zo goed gelukt is, zou ik je weer moeten laten lopen, omdat ik bang ben voor spoken of zelfs voor mijn eigen zwaard. Je zult vandaag de mijne zijn, ook al zouden zich tien goden en honderd smidsjongens tegenover me staan!«

Snel dook hij weg voor haar arm en greep met zijn geweldige vuist haar hand, dat ze met een luide uitroep van pijn het wapen liet vallen. Het was hem echter nog niet gelukt, haar uit de hoek, waar zij zich rugdekking had verschaft, te verwijderen, toen de deur onder een machtige stoot kraakte en zich buiten een diepe, sonore stem liet horen.-

»Open maken, of ik trap de keet in elkaar!«

»Dat is Richard«, riep, van vreugde trillend, het in het nauw gebrachtte meisje. »Naar binnen, naar binnen, help!«

Het huisje kraakte in al zijn voegen, toen de deur na deze hulpkreet door een trap de kleine ruimte instortte.

»Ah, de jonkers schieten kuit in october!«

Er lag een waarlijk verpletterende verachting in de toon, waarop deze woorden werden uitgesproken. De slanke, elastische gestalte van de »smidsjongen« leunde gemakkelijk en gra-zieus tegen de half uit de muur gerukte deurpost; de kleine, door het werk iets geharde hand draaide in sierlijke kronkelende bewegingen de punten van zijn zwarte snorretje, en met een spottend oplichten zweefde de vaste blik van zijn onbevreesde ogen over het hoog opgerichte, gespierde figuur van de betrapte naar het meisje, die zich met gevouwen handen dankend in de richting gewend had, waar hij stond.

Toen ontsnapte over de lippen van de in zijn verwachtingen bedrogen vijand een vloek, zo afschuwelijk en lasterlijk, dat het meisje verbleekte; op hetzelfde ogenblik hoorde ze de manne tegen elkaar aan botsen, toen hoorde ze een beangstigend kreunen, steunen en snuiven en toen volgde er een klap, die de vloer deed schudden.

»Hond, dat zal je niet nog eens lukken!« hoorde ze de kuchende stem van de weer van de vloer opgestane jonker. Het worstelen en snuiven begon van voren af aan en werd door ongearticuleerde geluiden begeleid, die klonken alsof ze uit een ingeschroefde borst vandaan kwamen; toen vloog er weer iets langs haar, eerst tegen de tegenoverliggende wand en toen tegen de grond, en vanaf de deur klonk het kalm en bedachtzaam:

»Alsjeblieft, Auguste, blijf in de hoek!«

Het gevecht begon opnieuw, er klonken sabelhouwen kletterden, toen vloog het wapen tegen het raam, een zware, gedempte val liet zich horen, hierop volgde een diep, angstaanjagend rochelen en eindelijk een slag alsof er met een knuppel tegen een hol maar stevig voorwerp werd geslagen; een laatste, verschrikkelijke schreeuw en toen was alles stil.

»Richard«, riep ze, de handen in onuitsprekelijke angst voor zich uitstrekkend, »Richard!«

»Hier ben ik!« klonk het naast haar, en niet het minste beven van zijn stem, niet het minste beven van zijn hand, die de hare vasthield, verried de verschrikkelijke opwinding en inspanning, die de laatste ogenblikken gebracht hadden. »Waar is hij?«

»Hij ligt, verdooft door een vuistslag en verwond door zijn eigen wapen, hier op de grond.«

»Ik ben zo bang, zullen we gaan!«

»Ja. Ik sta nog te alleen, om hem te kunnen grijpen, maar het uur zal komen, waarin ik met hem zal afrekenen.«

Terwijl hij deze woorden meer tegen zichzelf zei dan tegen het meisje, nam hij haar arm en liep, zonder de overwonnene nog een blik te verwaardigen, met haar naar buiten. Rechts en links strekten de bomen hun donkere takken over de weg en lieten maar zelden een zilveren straal van de sterren tussen hen doorglippen. Het bos ruisde op een geheimzinnige manier en het vals klinkende geluid van de vuurbuikpad klonk vanaf de vijver. Het meisje vlijdde zich dichter tegen haar begeleider aan en steunde zwaar op zijn arm. Hij voelde het trillen van haar handen, hij hoorde haar benauwde ademtocht, maar hij zei geen woord.

Toen bleef ze plotseling staan, sloeg de armen om zijn hals en trok zijn hoofd naar de hare toe.

»Richard!«

Ze wilde verder spreken, maar de tranen verstikten haar stem, en huilend verborg ze haar gezicht tegen zijn borst.

»Auguste, jij lief, schattig wezen, wil je bij en met me zijn, nu en voor altijd?«

»Heel graag, ach heel graag! Maar het kan niet.«

»Waarom niet?«

»Ik ben blind.«

»Heb je de troost dan niet begrepen, die ik je op de avond van die dag met de roos heb willen geven?«

»O ja.«

»Koester hoop en vertrouw God en mij. Wil je dat?«

»Ja.«

»Kom dan, we moeten ons haasten, om de angst van je moeder weg te nemen. Ik kan me indenken, hoe alles gekomen is, en je moet het pas vertellen, als we thuis zijn.«

___________

5.

De gedwongen rekrutering

»En ik herhaal, die Richard is een aartsdeugniet, en hoe langer hij er is, des te erger wordt hij. Eerst liep hij alleen maar ’s nachts buiten rond, nu gaat hij echter ’s morgensvroeg al bij het meest noodzakelijke werk weg, en als ik denk, dat hij in huis is, dan zit hij boven op zijn kamer en speurt in boeken en landkaarten, die voor een eerlijke smid absoluut geen nut hebben. En daarbij lopen zijn bekenden de deur plat. De ene keer komt er een haveloze kleermaker, de volgende keer een slonzige schoenmaker, dan de een, dan de ander, die hij tijdens het rondtrekken heeft leren kennen, en dan wordt daarboven gedronken en stiekem gedaan, dat men nauwelijks de gelegenheid krijgt naar het boek te vragen. Men wil toch graag weten, wie er bij iemand in- en uitgaat. Vanzelfsprekend haalt hij het verzuimde weer snel en goed in, maar ik hou niet van zo’n wanorde en ik zal hem, hoewel ik dat helemaal niet leuk zal vinden, uiteindelijk moeten wegsturen.«

»Neen, oude, dat zul je niet. Hij is in al het andere zo rechtschapen en zo - zo - zo – ik weet niet hoe ik het moet zeggen, maar het is steeds, alsof we hem er voor moeten bedanken, dat hij genoegen met ons neemt. Hij is je heel dierbaar, en alleen je liefde voor orde stoot zich aan dingen, die hij beslist zou laten, als hij er geen redenen voor had.«

»Nou, ik wil niet met je er over strijden en geef ook graag toe, dat ik voor de rest een groot respect voor hem heb, maar bij hem is het net, alsof hij het werk voor zijn plezier doet; hij zou me toch op z’n minst kunnen zeggen, waarom hij zo vaak weg is. Gisteren is hij weer een halve dag weggeweest, en vandaag staat hij zelfs tijdens de middagpauze buiten en hamert er op los, alsof hij het aambeeld de grond in wil slaan. Maar wie komt daar? Een slee met een vreemdeling. Daar zal wel iets te repareren zijn.«

De passagier steeg uit, sprak enige korte woorden tot de gezel en stapte toen de kamer in.

»Grüß Gott! Kan ik hier enige ogenblikken blijven? Mijn dissel is afgebroken en ik moet er een band om laten leggen.«

»Welkom, heer, maak het u gemakkelijk! Ik zal gelijk beginnen, zodat u niet te lang wordt opgehouden.«

Weißpflog ging naar buiten, en de spraakzame meesteres bevond zich al snel in een levendig gesprek met de vreemdeling, die de reispels afgeworpen had en naar buiten kijkend bij het raam stond. Het mooie, mannelijke hoofd enigszins in de nek gegooid, streek hij nadenkend door de blonde, wollige baard en liet de vriendelijke, blauwe ogen onderzoekend rondgaan. Al snel was de waardin te weten gekomen, dat hij oogarts was en naar Dresden reisde, om een daar wonende voorname blinde onder behandeling te nemen. Verheugd over deze ontdekking vertelde ze hem over Auguste en vroeg, het meisje te mogen halen. Glimlachend knikte hij met het hoofd, en enige minuten later trad de genoemde binnen.

Hij had zich bij haar binnenkomen omgedraaid en het leek alsof hij haar tegemoet wilde gaan. Bij haar aanblik bleef hij gefascineert staan en lette niet op de woorden van de waardin.

»Anna!« klonk het helder en jubelend.

»Mijn moeder heet Anna, ik heet Auguste.«

Hij liet zijn opgeheven armen langzaam zinken en wendde zich tot de vrouw des huizes.

»Noemde u haar niet Anna, toen u mij net over haar vertelde?«

»Neen, ze heet Auguste.«

»Dan heb ik het niet goed verstaan.«

Maar ondanks zijn streven, de opwinding te verbergen, lag er een diepe, nauwelijks te beheersen ontroering in zijn gelaatstrekken, en innig en intens straalde zijn blik op het gezicht van het mooie kind neer.

»Kom eens hier en laat me je ogen zien.«

Toen hij het instrument afzette, waardoor hij de zieke gezichtsorganen bekeken had, liet hij zijn hand op haar hoofdje rusten en trok dit naar zich toe.

»Woon je in de bovenkamer?«

»Ja.«

»Heb je enige dichte doeken, om de ramen te bedekken?«

»Ja.«

»Kom, laten we naar boven gaan. Waar is je moeder?«

»Ze is enige dagen voor werk weg, en ik ben alleen thuis.«

Het was zo’n lieve, vertrouwde stem, waarmee hij tegen haar sprak, en haar ziel ademde de klank in, zoals de genezende met verrukking de stimulerende geur van de maretak drinkt. Haar hoofd lag nog steeds tegen zijn borst, ze voelde de onstuimige slag van zijn hart en had met innig vertrouwen voor altijd en immer daar tegenaan mogen liggen.

Het voelde, alsof ze bij deze vreemde man hoorde vanaf het eerste ogenblik van haar leven en alsof ze van hem moest blijven tot het laatste uur. Zonder tegenstribbelen stond ze het liefkozende strelen van zijn hand toe en volgde ze hem dan ook naar boven.

Toen ze uit het vertrek kwamen, richtte Goldschmidt een vragende blik op de arts, die deze met een nauwelijks merkbaar knikken van zijn hoofd beantwoordde, en liep toen achter de meester aan, die, het rokende ijzer in de tang, naar de slee ging.

Het duurde niet lang voor de reparatie klaar was, en juist toen de paarden weer ingespannen waren, kwam ook de heer van het rijtuig weer van de trap naar beneden en ging naar de meester toe.

»Ik hoop, dat uw werk net zo gelukt is, als het mijne gelukt lijkt te zijn, tenzij storende omstandigheden mijn verwachtingen te niet doen. Ik heb, zonder het eerst te vragen, het meis-je geopereert en ben zeker van het resultaat, als de aanwijzingen opgevolgt worden, die ik bij de patiënte heb achtergelaten. Het verband moet er om blijven, tot ik terugkom, om hem er zelf af te halen. Hier is uw betaling, meester, en hier ook een fooi voor jou.«

Voordat Weißpflog van zijn verbazing bekomen was, waarin de mededeling van de arts hem had verzet, was deze met zijn slee al buiten gehoorsafstand, en toen hij zijn verbazing over het enigszins eigenmachtige optreden van de dokter aan de gezel wilde meedelen, was ook deze verdwenen. Bezorgt en tegelijk nieuwsgierig klom hij de trap op, om met de zieke zelf te spreken.

Ondertussen stond Goldschmidt in zijn kamer en vouwde het papier open, dat hem als fooi gegeven was. Het bevatte slechts weinige door een bijna onleesbare hand geschreven regels, die een ongetwijfeld ongewone spelling vertoonden:

     »Aan de smidsgezel Goldschmidt.
We komen, en wie van tevoren niet door de duvel gehaald wordt, die halen wij. Verschaf ons de kerel en wij zullen verder zijn. De mannen zijn op de bewuste tijd aanwezig en de dokter ook.
Zijn ouwe
     Leopold.«

________
 

Er waren enige dagen voorbijgegaan. Buiten huilde de wind en stapelde de sneeuw tot manshoge verstuivingen op. Des te behaaglijker en gezelliger was het in het warme vertrek, waar de bewoners van de smidse om de tafel zaten en zich bezighielden met de nieuwtjes, die ondanks het verschrikkelijke weer vanochtend vroeg al hun weg van Dresden naar Ernstthal gevonden hadden.

Bij Kesselsdorf was het tot een veldslag gekomen, waar aan de kant van de Pruisen de oude vorst von Anhalt-Dessau het commando voerde. Het wonderlijke gebed van deze merkwaardige houwdegen was al in de babbelzieke mond van het gerucht terechtgekomen, maar men bevond zich nog in volledige onwetendheid over de vervulling ervan. Buiten hoorde men stampende voetstappen, die de aangeplakte sneeuw voor de deur er af probeerde te stampen, en direct daarop kwam de jachtopziener Franz binnen.

»Goedendag! Is Goldschmidt thuis?«

»Dank je! Die is boven in zijn kamer; hij is zijn spullen aan het pakken.«

»Zijn spullen? Waarom?«

»Omdat hij weg wil.«

»Weg? Waarom?«

»Weet ik niet! Vanachtend vroeg was hier weer zo’n windbuil van een landloper en het schijnt dat deze hem zin in frisse lucht gegeven heeft. Waarom hij echter weg wil, kan ik niet begrijpen; hij krijgt het niet snel weer zo goed, als bij mij. Overigens heeft hij met jou een grotere vriendschap gesloten dan met ons, en daarom zul je ook wel beter geïnformeerd zijn dan wij.«

»Van grote kameraadschap is geen sprake geweest. Hij heeft de jonker in de gaten gehouden en ik ben hem daarbij behulpzaam geweest, dat is alles.«

»De jonker? Waarom dat?«

»Daar heeft hij me niets over gezegt, maar ik denk vanwege Auguste, waar de blauwwitte steeds een oogje op gehad heeft?«

»Hoe is het dan eigenlijk met deze?«

»Sinds kort is hij weer op. Toendertijd zei men, dat hij door houtdieven overvallen was; het kwam er bij hem op aan, geen ruchtbaarheid te geven aan de juiste stand van zaken, en jullie zwijgen kwam hem goed van pas. Overigens fluistert men heel bijzondere dingen over hem.«

»Wat dan?«

»Jullie zullen wel gehoord hebben, dat een officier van de koning van Pruisen er met kaarten plattegronden vandoor is gegaan, die hij hier in Saksen te gelde heeft gemaakt. Deze man zou de jonker zijn. De koning heeft op zijn uitlevering aangedrongen, maar steeds zonder resultaat, en zo was het mogelijk, dat - maar, roep snel Goldschmidt voor me!«

»Waarom dat dan?«

»Dat zul je later wel horen. De zaak heeft haast!«

»Nou, nu ben ik toch nieuwsgierig. Richard, hé, kom eens naar beneden!«

»Dat hij nu ook juist vandaag weg wil! In de winter zwerft men toch niet buiten rond.«

»Dat dacht ik ook, maar hij is altijd al eigenwijs geweest en laat zich niets aanpraten.«

De geroepene kwam binnen en beantwoordde de groet van de jachtopziener.

»U wilt weg?«

»Ja.«

»Maar de blauwwitte is weer op de been.«

»Ik weet het.«

»En voert iets boos in zijn schild.«

»Ik weet het.«

»Ook tegen u.«

»Ik weet het.«

Verbluft keek hij de oude aan.

»Da is niet mogelijk! Ik heb nauwelijks een uur geleden een gesprek afgeluisterd, dat hij met een officier had.«

»Dat is ritmeester von Krieben, die in juli hier gediend heeft. We zullen zien, of dat, wat ik weet, overeenstemt met hetgene, wat jij me wil vertellen. De oude Dessauer heeft namelijk gisteren de met sneeuw en ijs bedekte heuvels van Kesselsdorf met zijn grenadiers bestormd en de vijand helemaal verslagen. Vandaag zal de koning op het slagveld verschijnen en dan Dresden in bezit nemen. Men weet nog niet, wat dat voor gevolgen zal hebben; het kan tot vrede voeren, maar het is net zo goed mogelijk, dat Saksen soldaten, veel soldaten nodig heeft, en daarom zal men zo snel mogelijk naar bruikbare mensen uitkijken. De ritmeester, die vanmorgen vanuit Freiberg in Chemnitz aangekomen is, zal onze omgeving hier afzoeken en bij Ernstthal beginnen, daarom is hij met zijn eskadron vooruitgereden, om met de jonker, die met de plaatselijke omstandigheden vertrouwd is en aan het hoofd staat van de wervingsbureaus in het Zwickauer Kreis, ruggespraak te houden. Ik zou nu dus toch wel regimentssmid moeten worden en pakte mijn spullen in, zodat ik de heren geen onnodig oponthoud zou bezorgen. Na gedane zaken zal de blauwwitte, die in de buurt van de Pruisen de grond te heet wordt onder de voeten, naar Oostenrijk gaan, maar hij zal eerst onze beide vrouwen een bezoek brengen, om ze in elk geval op een verrassende manier voor zijn gezelschap te engageren.«

»Waarachtig, zo is het, en ik kwam, om u op het gevaar waarin u zich bevindt, opmerkzaam te maken, en het zou het beste zijn, als de voor militaire dienst geschikte kerels zich verstoppen, want door uw berusting, neemt u het te verwachten lot niet echt serieus. Maar hoe weet u dat alles?«

»Laat maar zitten. Op verstoppen is niets tegen; maar het zou tot niets goeds voeren, en ik neem eerder aan, dat er voor de ritmeester helemaal niet veel tijd zal overblijven voor het bereiken van zijn lovenswaardige bedoelingen. De huidige commandant van de Pruisen heeft de gewoonte na zijn overwinningen snel door te gaan, en het is daarom te verwachten, dat hij de vijand niet de tijd voor de nodige rust en de werving van nieuwe troepen zal laten. Daarom heb ik een ander plan. Kun je rijden?«

»Ja, ik was cavallerist.«

»Hoeveel verdien je?«

»Te weinig om te leven, te veel om te sterven.«

»Ik ken een voorname heer, die een betrouwbare jager nodig heeft. Wil je de baan aannemen? Je zult het goed, heel goed hebben.«

»Heel erg graag.«

»Pak je spullen in. Vanavond moet je klaar zijn om af te reizen.«

»Ik ben snel klaar met pakken. Ik ben een oude vrijgezel, en er is niemand, die zich om mij bekommert, en ik heb mijn zeven spullen zo in mijn ransel.«

»Goed, dan kun je nu meteen de mijne meenemen.«

»Maar dat hebt u toch zelf nodig, en mag ik misschien vragen, wie de heer is, waarover u sprak?«

»Dat zul je vandaag nog horen. Kom nu mee naar boven, je krijgt nog speciale instructies.«

En zich bij de deur nog een keer omdraaiend, waarschuwde hij op gebiedende toon:

»Van ons gesprek mag geen woord buiten dit huis komen.«

_________
 

De namiddag kwam en met hem het bericht van de verloren slag. De sneeuwjacht had opgehouden. De decemberzon zwakte de winterse koude af, en de opgewonden bewoners van Ernstthal stonden voor de deuren en op de straten, om met elkaar over het nieuwtje te praten. Weißpflog zat met de beide oudere vrouwen in de benedenkamer, de gezel was op zijn kamer en Auguste bevond zich alleen in haar woning.

Ze was vol angst en zorgen. De laatste dagen had ze veel over haar eigen toestand nagedacht en ook haar moeder was in behoorlijk opgewonden. Wie was de vreemde arts? Waar kwam hij vandaan en waar bleef hij zolang? De moeder had bij haar thuiskomst ‘s avonds met verrassing het bericht van het gebeurde gehoord. Het meest was haar het gedrag van de arts opgevallen bij de binnenkomst van Auguste en in het bijzonder de naamsverwisseling opgevallen, maar ze waagde het niet, haar vermoedens uit te spreken. De achtergelaten voorschriften werden naar het beste geweten opgevolgd en de dag die zekerheid en opheldering moest brengen, werd met ongeduld verwacht.

Niet dat, maar iets anders hield vandaag de gedachten van Auguste bezig. Sinds de weg naar huis vanuit de boshut had ze niet meer met Goldschmidt gesproken. Ze voelde, dat zo veel van hem hield, dat ze haar hele leven bij hem wilde zijn, maar ze was een te verstandig meisje, om niet in te zien, dat een blinde vrouw niet aan de eisen kon voldoen, die beroep en bedrijf altijd aan de »meesteres« stellen. Daarom was ze vast besloten geweest, haar liefde weliswaar in het trouwe, warme hart te koesteren, maar er geen conclusies uit te trekken. Dit besluit was weliswaar door de hoop, die de arts in haar gewekt had, aan het wankelen gebracht, en hoemeer ze zichzelf er aan overgaf, des te meer pijn deed de schijnbare onverschilligheid van Goldschmidt, die nooit de kamer binnenkwam, waarvoor zij moest zorgen. Sinds vanmorgenvroeg wist ze zelfs, dat hij weg zou gaan, en tegelijk had het bericht, dat hem van de kant van de wervers gevaar dreigde, bij haar schrik en bezorgdheid gebracht.

Ze bevond zich tussen twijfel en vrees en kon niet tot rust komen. Toen werd er zachtjes op de deur geklopt, en een stem, waarvan de klank haar het bloed naar de wangen liet stromen, vroeg:

»Mag ik binnenkomen?«

»Richard!«

»Ja, ik ben het. Ik kende de vertroebelde gedachten van je ziel en ik ben gekomen, om je nog een keer te vragen: vertrouw op God en op mij!«

»Ik ben niet bang om mezelf.«

»Alleen maar om mij; ik weet het. Maar net zo goed weet ik ook, dat deze angst vandaag nog van je weggenomen zal worden, daarom wil ik zo graag een waarschuwing uitspreken.«

»Welke?«

»Als je gevoelens vandaag door een echte gelukkige gebeurtenissen worden bezig gehouden, wees dan sterk, echt sterk, zodat de opwinding niet jou en ons allen van het succes van de medische behandeling berooft. Kom, sluit je ogen!«

Hij pakte haar hoofd, schoof het verband weg en raakte zachtjes kussend de gesloten oogleden aan. Dan schoof hij het verband weer op z’n plaats.

»Zo, en nu is de Algoede met zijn zegen bij je, op het ogenblik die je het daglicht zal brengen! En weet nog een ding: jouw thuis is voor nu en altijd aan mijn hart, of de huidige dag ons nu vervulling of falen van onze vurigste wensen brengt.«

»Er komen ruiters de straat in!« riep op dit ogenblik de meester naar boven.

»Vlucht, Richard!«

»Neen, mijn kind! Deze mensen zijn ongevaarlijk. Tot ziens voor nu.«

Hij haalde haar armen van zijn schouders en verwijderde zich. Ze hoorde hem in de kamer gaan en toen met snelle, kletterende stappen de trap aflopen en het huis verlaten.

Het was een eskadron Saksische ruiters, dat in galop van Chemnitz naar Ernstthal kwam gereden. In een oogwenk werden de huizen bezet en de bewoners werden geen ogenblik langer in ongewisheid gelaten over het doel van dit haastige bezoek. Binnen een half uur waren alle hier werkende vreemde gezellen op de marktplaats bijeengedreven en met de soldatenmuts bedekt, wat in die tijd een onweerlegbaar teken was dat men militair was.

»Zoals beloofd, Krieben! Hier ben ik en breng, zoals ik je vanmorgen beloofde, ook de zwarte hengst mee, die inderdaad onverbeterlijk is. Neem hem maar weer terug, hij is niet te gebruiken.«

Het was de jonker, die op een jonge, vurige trakehner zat en in plaats van het blauwwitte herenkostuum een officiersuniform droeg.

»Welkom, Bredenow! Hoe is het met je schatje en met onze wapensmid? We hebben al de beschikbaren bij elkaar en ik zie hem er nog niet bij.«

»Ik zal hem nog brengen, maar ik kan tegen deze kerel alleen weinig uitrichten. Zijn de wagens geregeld?«

»Jazeker, een echte elegante koets voor de beide vrouwen en een bagagewagen voor het overeige. De koetsier heeft de order, in de buurt van het huis te stoppen en wacht waarschijnlijk al lang op je.«

»Mooi. Ik zal de kerel in elk geval bij de vrouwen vinden, omdat hij zo buitengewoon hartstochtelijk de rol van een beschermengel wil spelen. Geef me voor de zekerheid maar een klein detachement van je mensen mee.«

»Daar staan ze, louter uitgelezen reuzen. Tegen hen zal hij het niet opnemen.«

________
 

Weißpflog was met de kreet, dat de ruiters kwamen, haastig in het vertrek teruggekeerd en had de zich verwijderende gezel helemaal niet gezien. Slechts enige minuten na het binnenrijden van het eskadron drongen enige ruiters ook in zijn huis binnen en vroegen naar jonge mensen. Hij toonde hen de aanwezige bewoners, en omdat de gezochte hier niet te vinden was, keerden ze onverrichter zake terug. Toen hij hen nakeek, bemerkte hij in de buurt twee rijtuigen, die onder militair escorte daar gestopt waren. Het viel hem niet op, en hij trad weer in de woonkamer terug.

Toen klonk er naderende hoefslag en een tweede afdeling ruiters stopte voor de deur. De mannen stegen af en kwamen binnen. Met schrik herkende hij in de officier aan het hoofd de jonker.

»Goedendag, meester. Ik kom, om naar de gezondheidstoestand van uw gezel te informeren. Gaat het hem goed of ligt hij onder het bed?«

»Als hij thuis zou zijn, zou hij zich zeker niet angst voor jullie onder het bed verstoppen, wees daar zeker van!«

»Ach, hij is dus niet thuis, de kerel is er vandoor gegaan? Ik zal naar hem laten zoeken, en als je tegen me gelogen hebt, dan is het in je eigen nadeel, als hij echter echt ontsnapt is, dan sta jij bij mij voor hem in. Voorwaarts, mensen!«

»Ik wist niet, dat ik mijn gezel als jullie gevangene bewaken moest -«

»Bek dicht! Bij ons is de stok de baas!«

De smid voegde zich in het onvermeidelijke en nam plaats op de canape, terwijl de kapitein heen en weer liep in de kamer. Na een poosje traden de soldaten binnen met de melding, dat ze alle hoeken van het huis doorzocht hadden en de gezel niet gevonden hadden.

»Vervloekt! Nu loop ik een pretje mis, waarop ik me allang verheugd heb. Hedaar, oude zondaar, luister eens naar de opdracht, die ik je voor hem geef, want terugkomen zal de haas zeer zeker. Je groet hem van mij, en zegt hem dat de dames van het bovenhuis me begeleiden; maar dat ik de beiden de toestemming voor hun terugkeer niet zal weigeren, als hij de moed zou hebben, zich bij ritmeester von Krieben als regimentssmid te melden.«

»Kapitein -«

»Bek dicht, zeg ik, hier word geen kik gegeven, en alleen wat ik zeg geld! Haal de vrouwspersonen naar beneden!«

»Maar Auguste zal van schrik -«

»Als je nog een kik geeft, laat ik je een pak rammel geven!«

De meester zweeg. De soldaten haalden de beide door angst vervulde vrouwen naar beneden, die door Bredenow meegedeeld werden, dat ze de eer hadden, hem op een kleine vakantiereis te begeleiden. Auguste zweeg, de moeder brak echter in een luid geweeklaag uit, wat haar uiteraard niets hielp. Zoals ze waren moesten ze de in de erbijgehaalde wagen klimmen, en nadat een van zijn mensen als sauvegarde (vrijgeleide) tegenover hen was gaan zitten, reden ze naar de markt, die diende als algemene verzamelplaats. De kapitein gaf nog het bevel, het hoognodige aan linnengoed en kledingstukken uit te zoeken en op de bagagewagen te pakken, en reed toen achter de vooruitgestuurden aan.

Krieben was boos, toen hem het verdwijnen van de gezel werd meegedeeld; maar omdat hij zich niet veilig voelde door de achteropkomende Pruisen, wilde hij met verdere onderzoeken geentijd verliezen en liet het verzamelen blazen. Binnen de kortste tijd stond het eskadron voor hem in het gelid; de gerecutreerde kerels hadden zaten op de reservepaarden en de wagens vormden de achterhoede van de opstelling. De officieren stonden nog bij elkaar, terwijl hun paarden door de bedienden werden vastgehouden, om van de ritmeester de rangschikking te krijgen, toen er iets de straat binnensuisde, en met wapperende manen en dolman (huzarenbuis) over de laatste wagen sprong, scherp om het front heenboog en stopte voor de verrastte heren.

»Een Ziethen, een Ziethen!« ging het van man tot man de hele rij langs.

»Pardon, ritmeester! Ik moet hier een opdracht van mijn koning en veldheer uitvoeren en het dan aan jullie overlaten, mij als Regimentssmid in jullie eskadron aan te stellen.«

En zich tot de jonker wendend, voegde hij er met luid klinkende stem aan toe:

»Kapitein von Bredenow, ik arresteer u in naam van uw monarch als hoogverrader en spion!«

Ogenblikkelijk hadden de officieren een kring om hem hem gevormd, om zich van zijn persoon meester te maken. Glimlachend keek hij op ze neer en vervolgde met luide stem:

»Ik verklaar deze stad in staat van oorlog en alle zich zier bevindende militairen als mijn gevangenen.«

Hij trok zijn pistool uit de holster en vuurde het af. Op hetzelfde ogenblik klonk luid paardengetrappel vanuit alle op de markt uitkomende straatjes, en voordat de half verblufte, half verbaasde Saksen een besluit hadden kunnen nemen, waren ze door een drievoudige overmacht van Pruisen omsingeld.

Toen klonk uit het midden van de omsingelde officieren een vloek. De trakehner steigerde door een krachtige druk van de sporen hoog in de lucht, vloog door de gelederen van de nog niet kogelvrije Pruisen heen en droeg in razende galop zijn ruiter het straatje uit.

Geen van de streng geschoolde krijgers maakten aanstalten, de vluchtende zonder speciaal bevel te volgen, alleen de eerst aangekomen officier, in wie we de voormalige smidsgezel herkennen, drong zijn vos tussen de reservepaarden van de Saksen en zat met een gewaagde sprong op de zwarte hengst, die de jonker net daarvoor nog als onbruikbaar bestempelt had. Met een luid, vreugdevol gehinnik verhief het dier zich op zijn achterbenen, drraide in het rond en schoot toen met zijn ruiter weg.

»Kameraad, uw degen! Ik neem in plaats van de zojuist weggereden kolonel-wachtmeester de verplichting op me, u van de nutteloosheid van elke tegenstand te overtuigen.«

»Uitstekend, majoor! De kansen van de dag zijn tegen ons en we geven ons over met de verwachting, dat men in deze manier van handelen niets zal kunnen vinden, wat afbreuk doet aan onze eer als officier.«

»Bewaar me. Laat je mensen afstijgen en de wapens afleggen. Luitenant Rhaden, u rijdt met twaalf van uw mannen zo snel mogelijk achter de opperwachtmeester aan, om zijn gevangene in ontvangst te nemen. Wie hebben we daar in de koets? Ah, Franz, zijn dat soms de beide dames, waarover ons zoveel goeds verteld is?«

»Tot uw orders, majoor!« antwoordde de oude jachtopziener, die hoog te paard bij de wagen stopte. »Ik heb ze bij onze aankomst hier meteen gevonden en hoorde van hen, dat de jonker ze naar men zegt als gijzelaars voor Goldschmidt – ik bedoel voor de opperwachtmeester meegenomen heeft.«

»Ach, een nieuwe schandelijke daad! Dames, u bevindt zich natuurlijk, net zo als alle andere gevangenen, nu weer in het bezit van uw volledige vrijheid. Jij, Franz, klimt op de bok en rijdt ze naar huis terug.«

Met een hoffelijk saluut nam hij afscheid van de angstige vrouwen, en, nadat de koets en vrijgeleide aan de overige krijgsgevangenen toegevoegd waren, reden de wagens naar de smederij terug. Met luid gejubel werden de inzittenden door de familie van de meester begroet.

»God zij dank, dat jullie er weer zijn! Nou, ga gauw naar boven naar jullie kamer, daar wacht bezoek op jullie.«

»Wie dan?«

»Een officier of zoiets.«

Ze gingen naar boven. De moeder opende de deur en richtte haar blik op de man, die bij het raam stond. De hoge, trotse gestalte werd voordelig door het uniform en het glimmende onderscheidingsteken van een stafarts geaccentueerd; de golven van de lange, blonde baard voegden zich langs de gouden tressen van uniformjas, en de ogen, diepblauw en vriendelijk, begroetten met verwachtingsvol oplichten de binnentredenden.

»Emil!«

»Anna!«

Beiden stootten de kreet tegelijk uit, beiden hadden elkaar ondanks de lange tijd van scheiding onmiddellijk herkent en vlogen elkaar in de armen. Ze hielden elkaar stevig vast, hingen lip aan lip en vergaten door de verrukking van het weerzien hun dochter, die, door haar gevoelens overmant, tegen de deur leunde. Ze wachtte lang, heel lang, zodat men zich ook haar herinneren zou, maar tevergeefs. Toen klonk het zachtjes:

»Vader!«

»Mijn kind, mijn lief, lief meisje! Laat me, Anna!«

Hij stormde op Auguste af en nam haar in de armen. De moeder volgde en legde haar handen op het hoofd van het kind.

»Accepteer haar, Emil! Ze is het enige, wat ik bezit en je kan bieden, maar het is het kostbaarste, wat mijn moederhart voor je bewaard heeft.«

Hij zei geen woord, maar kus op kus ontving hij van de mooie, ongeschonden mond, die nog nooit de lippen van een man beroerd hadden. De vader kon van gelukzaligheid niet spreken, maar uiteindelijk kreeg de arts toch de overhand.

»Alsjeblieft, Anna, doe de gordijnen weer dicht.«

»Vader, jij bent de arts, die hier pas geleden was, niet waar?«

»Ja, mijn kind. Ben je vandaag erg geschrokken?«

»Neen. Goldschmidt vroeg me, sterk te zijn, en wat hij me vraagt, dat moet ik inwilligen.«

»Hou je van hem?«

»Ja, oneindig veel, mijn vader.«

»Dank je wel. Deze liefde is een van mijn liefste wensen. Voel je iets vreemds, storends, ziekelijks in je ogen?«

»Neen, ik heb een gevoel van welbevinden.«

»Dan zullen we met Gods hulp het verband verwijderen.«

Hij nam het weg. Het meisje hield nog steeds de oogleden gesloten, toen trok ze langzaam en aarzelend haar oogleden omhoog en richtte haar eerste blik op haar moeder.

»Moeder, ik kan je zien!« riep ze en vreugdevol voegde ze er met een innige omarming aan toe: »nog veel beter en duidelijker dan vroeger.«

Toen wendde ze zich naar haar vader.

»Vader, mijn lieve, lieve, mooie vader!«

En weer omarmden de drie elkaar, en als de stem van de arts ze niet voor tranen gewaarschuwd zou hebben, dan zou de overweldigende vreugde ze allemaal sprakeloos gemaakt hebben.

Toen klonk beneden in de hal een volle, krachtige stem. Auguste schoot omhoog.

»Dat is Richard.«

»Die moet je alleen ontvangen. Kom, Anna.«

De ouders gingen naar de slaapkamer en het meisje was alleen met haar geluk. Ja, ze was nu gelukkig, want nu ze kon zien, was er geen kloof meer tussen haar en haar geliefde, en met opgeheven armen snelde ze naar de deur, toen ze zijn elastische tred naderbij hoorde komen. Maar geschrokken liet ze haar armen weer zakken. Voor haar stond niet de eenvoudige, roetzwarte smidsgezel, maar een hoge officier in het gekleedde uniform van de Ziethenhuza-ren, wiens grote, flikkerende ogen haar als een hemel vol zonnen tegemoetstraalden.

»Gustel, mijn lieve, lieve Gustel, je kunt weer zien!«

Met een sprong stond hij bij haar, pakte haar om haar ranke middel, tilde haar hoog in de lucht, drükte haar weer tegen zich aan en liet haar niet de tijd, de naar hem zoekende armen om zijn hals te leggen. Alleen woorden waren mogelijk voor haar, en deze woorden klonken jubelend uit haar gelukzalige hart, dat bijna te klein was voor de verrukking van dit ogenblik. Eindelijk ging de storm van de eerste vreugde liggen en stonden ze rustig bij elkaar, borst tegen borst en mond op mond.

»Richard, jij lieve, boze man, wat ben je toch geheimzinnig en zwijgzaam tegen me geweest!«

»En wil je je ook nu nog mij je liefde afkeren en me weg laten gaan zonder geluk en zonder ster?«

»O neen, neen, neen! Maar hoe weet je deze gedachte?«

»Jouw zuivere ziel werd nog nooit vertroebeld door een zucht van leugens en huichelarij, en daarom was het voor makkelijk, elke emotie van je hart te herkennen, nog voordat je je er zelf bewust van was. Maar waar is vader en waar is moeder?«

»Hier zijn we!« riepen de beide nu weer binnenkomenden.

»Dokter en kameraad, ik heb hier de vreugde, u de roos van Ernstthal voor te stellen, die ik tussen de geurende aardbeien vond en nu in de wintertijd zou willen verplanten naar een tuin, zodat ze beschermd is tegen ruwe stormen en kan bloeien, mij tot geluk en haar ouders tot vreugde. Mag ik aanspraak doen gelden op een straal van het door u geopende oog?«

»Neem haar, mijn zoon, en vergeef de vader, die zijn liefde ontrouw werd, alleen omdat hij bij het scheiden van zijn geliefde niet vermoedde, dat er al snel een wezen meer zou zijn, die tot aanspraak gerechtigd is op hem.«

»En u, mijn moeder?«

»Ik geef je mijn kind, meer kan niemand je geven.«

»Hola!« klonk onder de deurpost, »wij drieën, namelijk ik, mijn vrouw en Franz willen weten, of de zaken daar beneden - - - alle donders, dat is Goldschmidt!«

»Uiteraard, meetster, is hij het, de aartsdeugniet, die dag en nacht buiten moest rondlopen, omdat hij noodzakelijker dingen te doen had, dan te hameren en te vijlen.«

Met open mond stonden de Weißpflog’s daar en keken de voormalige ijzer-, hoef- en wapensmid aan.

»Maar wat is nu eigenlijk waar? Een generaal kan toch geen vensters maken en een smid kan toch geen leger commanderen!«

»Soms wel, en voordat hij generaal is duurt het nog wel een tijd.«

»Nou, ik laat het maar zoals het is, maar vanwege de aartsdeugniet, daarvoor vraag ik om vergeving.«

»Wordt graag vergeven. Deze mijnheer is de vader van Auguste.«

»Hoe is het mogelijk? Dan heeft mijn huis tot onder de hanenbalken aan toe vol gezeten met geheimen! En zien kan Auguste ook?«

»En dit schilderij hier heeft Richard geschildert,« wendde Wallner zich tegen de moeder. »Omdat we ons in militaire dienst vaak ontmoet hebben, heeft de potloodtekening hem op het juiste spoor gezet. Dat we elkaar gevonden hebben, danken we alleen aan hem.«

De ophelderingen vlogen heen en weer en er kwam geen einde aan de vragen en antwoorden, tot de vroegere gezel eindelijk opstond.

»Nu moet ik afscheid nemen, de dienst roept. Vader zal jullie onze voorschriften tot mijn terugkeer meedelen. We verlaten vandaag Ernstthal nog. Jullie gaan in de koets onder begeleiding van Franz en een militair escorte naar Dresden, waar ik morgen ook zal aankomen. Vandaar brengt Franz, die vanaf vandaag in mijn dienst staat als jager, jullie naar mijn stamgoed, en als de bezetting van Dresden de verwachtte vrede brengt, zullen we al snel weer verenigt zijn. Voor nu echter adieu!«

Toen hij op de markt kwam, stonden de troepen al klaar om af te marcheren. Zijn zoekende blik vond onder de de gevangenen al snel de zwaar geboeide jonker en ook ritmeester von Krieben. Op de laatste liep hij af.

»Zullen we eerst, voordat we ons in beweging zetten, onze kleine privé aangelegenheid in orde maken, ritmeester?«

»Privé aangelegenheid? Hoezo?«

»Ik bedoel onze ruilhandel.«

»U brengt me in verlegenheid, opperwachtermeester!«

»Goed, ik moet uw geheugen te hulp komen. Mijn naam is Göbern.«

»Ah, dan bent u een verwant van ritmeester von Göbern, die - -«

»Niet verwant, maar ik ben hem zelf. Het is te verklaren, dat jullie me niet niet herkenden, omdat de omstandigheden me dwongen, de snor, waarmee jullie me leerden kennen, af te scheren. Ook mag de militaire rang jullie niet in de war brengen; door de paardenwisseling werd ik tot majoor bevorderd en vanwege enige andere kleinigheden kreeg ik mijn huidige rang. Dat de vervulling van mijn opdracht, de vroegere kapitein von Bredenow in de gaten te houden en uiteindelijk aan de verdiende gerechtigheid over te leveren, mij in de situatie brengt, zo’n flinke officier, zoals u bent, te leren kennen, is mij net zo lief, zoals het het u bij de heersende omstandigheden ongewenst zal zijn. Daarom ben ik bereid mij voor u en uw kameraden, voor zover mijn plicht niet in het gedrang komt, in te zetten en bewijs deze bereidwilligheid door u van uw goudvos, die u me toendertijd zo vriendelijk leende, terug te geven. Hij is, denk ik, in goede handen geweest en heeft er niet onder geleden.«

»Dank u. Mag ik me een vraag veroorloven? Bredenow is aan mij verwand en ik sta dus niet helemaal onbevooroordeeld tegenover zijn lot.«

»Ik zal antwoorden.«

»Hoe heeft u dan voorheen de kapitein overmeestert en wat zal zijn uiteindelijke lot zijn?«

»Heel eenvoudig. Ik besteeg mijn zwarte hengst, op wie ik bij zulke gelegenheden kan rekenen, en heb hem daarmee omvergereden. Het oordeel over zijn handelen is niet aan mij, maar aan justitie. Tot ziens, kameraad! - Majoor!«

»Kolonel-wachtmeester!«

»Geef bevel tot opbreken. Ik zal nu in mijn woning terugkeren en pas na enige tijd jullie volgen. Ik hoef jullie natuurlijk niet te vertellen dat je omzichtig moet handelen. Adieu!«

________
 

»Weet je, Richard«, begroette de bruid hem, »dat ik met mijn ogen al geprobeert heb te lezen?«

»Gaat het?«

»Ja, ik ben in je geheime correspondentie terechtgekomen. Vertel eens, van wie je deze zo uitzonderlijk mooie en goed geschreven regels hebt? We hebben ze gevonden bij het opruimen van je kamer.«

»Kun je het niet raden? Deze 'oude Leopold' is mijn peter en weldoener, vorst Leopold von Anhalt-Dessau, met wie ik voor dienstaangelegenheden in briefwisseling gestaan heb en die zich gisteren zo buitengewoon moedig geweerd heeft. Hij kent al mijn intenties wat betreft jouw persoon en zal in onze verbintenis geen mesalliance (huwelijk beneden stand) zien, omdat hij zelf met dit vooroordeel te maken heeft gehad. Je zult hem spoedig ontmoeten.«

»Wanneer en waar?«

»Morgen of overmorgen in Dresden. Ik zal je natuurlijk moeten voorstellen.«

»Dan zal ik ontzettend bang zijn.«

»Ik zal je beschermen! De oude houwdegen is buiten de dienst en vooral tegenover bekenden een heel origineel maar ondanks al zijn grimmigheid toch een goedmoedig mens.«

»Maar ik zal bij deze introductie onmogelijk de goede manieren van een hofdame kunnen laten zien.«

»Dat wordt ook niet van je verlangd; hij houdt niet van complimenten, en ik zal mijn toespraak zo kort mogelijk houden, daar houdt hij juist van.«

»Hoe dan bijvoorbeeld?«

»Ik zou het ongeveer zo zeggen: Doorluchtige Hoogheid, kijk eens hier, ik stel u
                            ›de roos van Ernstthal!‹ voor«.
 


Copyright: Peter Baanstra für die Karl-May-Stiftung



Karl May - Leben und Werk

Titelseite: Karl-May-Stiftung